Scores met ballen en sterren verzieken de kunstkritiek

Een ballenwaardering plaatsen bij recensies is pervers, meent Wout van Tongeren.

Een schuldbekentenis: als ik reclame maak voor een theaterproductie, vermeld ik vaak hoeveel sterren de voorstelling scoorde in diverse kranten. Het is een effectieve truc om het uitgedunde publiek naar het theater te lokken. Toch zou ik het een zegen vinden als recensenten me dit marketinginstrument ontnamen. Ik geloof dat kunstenaars uiteindelijk meer baat hebben bij een gezonde kunstkritiek dan bij een handig verkoopmiddel.

Er is iets grondig mis met de aanname dat het oordeel over een kunstwerk zich op zinnige wijze laat vertalen in een afgemeten aantal sterren. Voor bepaalde zaken zijn getallen onontbeerlijk: omdat ze exact zijn en nagenoeg vrij van persoonlijke interpretaties, zijn ze bijvoorbeeld onmisbaar voor de bètawetenschappen of de handel. Ten opzichte van een kunstwerk is zulke objectiviteit echter volstrekt zinloos.

Wat betekent het als een boek vijf sterren of ballen krijgt toegekend? Blijkbaar vond de recensent het ‘uitstekend’. Of veeleer ‘ontzagwekkend’? ‘Aangrijpend’? ‘Geniaal’? ‘Hartverwarmend’? Elk woord drukt iets anders uit; het heeft betekenisdimensies die het cijfer nooit kan bevatten. Om zulke betekenissen en betekenisverschillen draait het juist in de cultuur. Neutraliseer je ze, dan houd je niets over.

De recensent kan tegenwerpen: „de score is bijzaak, het gaat om de tekst.” Maar sterren blijken zich veel dieper in de herinnering te nestelen dan de eigenlijke beschouwing.

— „Die film had vijf sterren in Trouw.”

— „Gek, in NRC kreeg hij er maar twee.”

Klaar. Wat de recensenten nu precies geschreven hadden, doet er al niet meer toe. Sterren drukken immers uit tot welke ‘slotsom’ een criticus gekomen is. En hier ligt de kern van het probleem: door bij de recensie een sterrenwaardering te plaatsen, lijkt alles uiteindelijk om de normering te draaien. Het cijfer gaat functioneren als een ultieme samenvatting van de kritiek in de universele taal van het getal.

Daarmee heeft het sterrensysteem een pervers effect. Het voedt de opvatting – onder lezers én critici – dat recensies er vooral toe dienen om kunstwerken te beoordelen. De eigenlijke taak van de criticus is echter gegronde interpretaties te geven. Dat wil zeggen: als een ervaren beschouwer kunstwerken bespreken, duiden en bevragen. Natuurlijk zal hij daarbij ook een oordeel hebben, en er is niets mis mee als hij dat scherp verwoordt. Maar het gaat fout als de recensent nauwelijks nog aan interpreteren toekomt, en zijn stukken opstelt alsof het taxatierapporten zijn. Kunstkritiek is iets anders dan motivaties schrijven bij sterrenscores.

Er lijkt slechts weinig ‘intern verzet’ te zijn tegen het sterrensysteem. Ik weet één toneelrecensent die zijn kritieken schoon inlevert — een eindredacteur kent alsnog cijfers toe. Verder heeft de boekenredactie van Trouw de scores tot nog toe van haar pagina’s kunnen weren. Maar de algemene tendens is tegengesteld. Zo laat de vernieuwde Volkskrant zijn lezers nu zelf sterren uitdelen.

Waarom die taxatiedrift? Voor het vluchtig beoordelen en vergelijken van producten bestaan al vele websites. De journalistieke media (op papier of digitaal) zouden zich moeten onderscheiden door ruimte te bieden voor reflectie op cultuur. Voor die reflectie zijn geen scores nodig, maar woorden.