Column

Nu het nog kan

Uitvaartbedrijf Passend afscheid uit Duivendrecht schenkt zijn potentiële cliëntenkring – wij allemaal dus – een brochure met de titel Mijn notities voor later. Daarin kunnen wij onze wensen voor onze eigen uitvaart invullen. „Dat zijn persoonlijke en soms ook lastige keuzes”, schrijft uitvaartverzorgster Michèle Verburgt-Wester in een epiloog.

Dit was mij uit het hart gegrepen nadat ik het boekje in huiselijke kring had doorgenomen. Even betrapte ik me zelfs op de gedachte: het ergste van doodgaan is niet het sterven zelf, maar – als je daartoe nog de gelegenheid krijgt – het zodanig regelen van je ‘afscheid’ dat het ‘passend’ genoemd kan worden.

Je zou het vervelend vinden als de begrafenisgangers na afloop bijvoorbeeld tegen elkaar zouden zeggen: „Waarom waren er geen sprekers?”. „Wat een lelijke muziek werd er gedraaid” of „Eén plakje cake is wel erg weinig als je er helemaal voor uit Groningen bent gekomen”. Om dat te voorkomen moet je met mevrouw Verburgt-Wester om de tafel gaan zitten, of maak je, zoals ik, een begin met het alvast geestelijk beantwoorden van de vragen in haar boekje.

Ga er maar even aanstaan. Wat voor kist moet het worden? Ik telde alleen al achttien varianten. Open, gesloten, natuurlijk, luxe, eenvoudig, modern, klassiek, hout, onbehandeld, beschilderd, satijnen of katoenen bekleding et cetera.

Wie mag er op rouwbezoek komen, of wil je geen rouwbezoek? Wat moet er op de rouwkaart? Een (persoonlijke) uitspraak, een lijfspreuk, een gedicht? En moet die uitvaart in besloten kring en in stilte plaatsvinden, of toch maar met familie en vrienden erbij? En gaan we de afscheidsdienst nog een beetje leuk aankleden met kaarsen, waxinelichtjes en ballonnen?

Vul ook in – mag vooral niet tevoren uitlekken – of je bepaalde sprekers niet wilt hebben. En door wie wil je gedragen worden? Familie, vrienden, officiële dragers? Moet de kist aan het einde blijven staan of wil je liever meteen indalen? Mogen er ook mensen mee naar de ovenruimte, of heb je iets van: dat doe ik wel alleen?

Zeg het maar – nu het nog kan.

Ik kreeg het vooral knap benauwd bij vragen over de plek waar ik uitgestrooid wil worden. Mijn vrouw had een bepaalde plek in gedachten – merkwaardig dat ze daar nu al aan denkt – maar ik kwam met een ander voorstel: de al eens door mij beschreven plek aan het IJ, vlak voor het nieuwe Paleis van Justitie, waar je een adembenemend uitzicht hebt op zowel het Centraal Station als op Eye aan de overkant. Ik kom er regelmatig langs en blijf dan altijd een paar minuten staan om alvast aan de eeuwigheid te wennen.

„Dat is wel in de buurt, lekker makkelijk”, zei mijn vrouw. Maar na een korte denkpauze meende ze eraan te moeten toevoegen: „Het kan daar erg waaien. Als de wind verkeerd staat, krijg ik al die as in mijn gezicht.”

Het was een doorzichtige poging om het onderwerp met harde galgenhumor te killen, want ze wil er eigenlijk helemaal niet over praten: ‘de kinderen’ moeten het straks maar allemaal beslissen. „Ik ben blij dat ik dat niet hoef te doen”, zei ze, „ik heb al mijn hele leven lastige beslissingen moeten nemen. Je gaat lekker liggen en je bent overal vanaf.”

Ik heb er begrip voor, maar ik vind dat je toch op z’n minst moet zien te voorkomen dat André Hazes’ De vlieger wordt gedraaid terwijl jij in de vlammen verdwijnt.