Kinderen zijn geen speelgoed

De Tanzaniaanse stad Moshi telt achttien weeshuizen. Niet voor de wezen – daarvan zijn er niet zoveel – maar om honderden westerse vrijwilligers wat te doen te geven. Zij doen in een onbekend land werk waar ze niet voor zijn opgeleid. Kinderen hebben daar weinig aan, zegt Unicef.

Een vrijwilligersproject voor westerse toeristen in Tanzania aangeboden door touroperator Meaningful Travel. Foto’s Safari Shadows of Africa

Voor duizenden middelbare scholieren is het laatste schooljaar begonnen, en daarmee ook het nadenken over wat er na het eindexamen komt. Werk? Studie? Of liever een ‘gap year’, een jaar waarin je de tijd neemt om uit te zoeken wat je echt wilt, waarin je een verre reis maakt of vrijwilligerswerk gaat doen in het buitenland.

Vrijwilligerswerk klinkt aantrekkelijk: je komt op een plek waar je anders nooit was gekomen, leert een andere cultuur kennen, ziet nog wat zebra’s of beroemde ruïnes en bovendien: je helpt mensen. Je gaat goeddoen. Je bent nuttig, ontvangt dankbaarheid en hebt voor thuis nog het fotoalbum, waarin je als een Angelina Jolie in stug kaki voor de foto poseert met een troep schaterende bruine kinderen om je heen – een win-winsituatie.

Het is alleen jammer dat het meeste vrijwilligerswerk bestaat uit een zeepbel van nobel klinkende initiatieven en projecten. Na de middelbare school naar een ontwikkelingsland vertrekken en daar in een paar maanden ‘het verschil maken’ – nee, dat bestaat niet.

In 2008 woonde ik een paar maanden in Dar es Salaam, de grootste stad van Tanzania. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met de wereld van vrijwilligerswerk. Een Britse jongen vertelde me met trots in zijn stem dat hij net een maand had gewerkt als vrijwilliger op een project vlak buiten de stad. Ze hadden een school gebouwd. „Of, nou ja”, zei hij. „We wisten natuurlijk helemaal niks van bouwen. Dus we begonnen met een greppel, want elk gebouw begint met een greppel. Je moet je voorstellen dat het werk echt heel zwaar is, de zon brandt en er stonden allemaal schoolkinderen om ons heen ons uit te lachen, want niemand werkt ’s middags als het zo heet is, behalve wij. Het zand dat we uit de greppel groeven, lieten we naast de geul liggen. En toen…” Hij begon te lachen. „Toen ging het op een nacht dus regenen. Bleek de volgende dag al het zand weer in de greppel gezakt.”

Na dit verhaal wilde ik meer onderzoek doen naar vrijwilligerswerk, en al snel kwam ik er achter dat die wereld allang niet meer bestaat uit een paar stichtingen, het Peace Corps en een verdwaalde Italiaanse missionaris. Vrijwilligerswerk is een heuse industrie geworden. Het aanbod dicteert de vraag: er zijn zoveel jongeren die graag een paar maanden naar het buitenland willen, dat er steeds meer projecten en organisaties bij komen. Vergeet je plan voor een kiprestaurant of een touroperator, begin een weeshuis.

Het kan zeer lucratief zijn een bedrijf op te richten rond beschermde diersoorten, weeskinderen of waterputten, want waar de meesten bij de term ‘vrijwilligerswerk’ denken aan ‘onbetaald werken’, moeten vrijwilligers in zulke landen vaak betalen om mee te mogen doen aan een project – en niet zo weinig ook. Natuurlijk wordt dat bedrag besteed aan onderdak, vervoer en eten, en soms vloeit het terug in het project zelf, maar in veel gevallen is het gewoon winst.

Een tekort aan weeskinderen

In Moshi, een stad van 145.000 inwoners in Noord-Tanzania, zag ik hoe vreemd en verontrustend de vrijwilligersindustrie kon zijn. Moshi is maar een kleine stad: een markt, rondscheurende taxibusjes, straatverkopers, de besneeuwde top van de Kilimanjaro op de achtergrond. Maar het is ook de volunteer capital of Tanzania. Overal zie je blanke vrijwilligers en de plekken waar ze graag naartoe gaan: de pizzeria waar de pizza’s Simba’s Dinner heten, het openluchtcafé met boomhutten of een disco met een matrozenthema.

Moshi bleek over zo’n achttien weeshuizen te beschikken. Zijn er soms heel veel wezen in Moshi? Nee, de projecten die gebruik maken van vrijwilligers zitten bijna allemaal op toeristisch aantrekkelijke plekken. Veilig, makkelijk en de vrijwilliger kan zichzelf aan het eind van z’n verblijf trakteren op een paar giraffes en Masaï. Voluntourism.

Een vrijwilliger vertelde me dat ze het wel vreemd vond dat de Tanzaniaanse directrice van haar weeshuis rondreed in een monsterachtige SUV en steeds naar Europa moest voor seminars. Een ander vertelde dat ze erachter was gekomen dat de kinderen in haar weeshuis geen wees waren: ze kwamen uit arme families uit de buurt, gebracht door ouders die een van hun kinderen in een weeshuis lieten wonen. Als een kind echter uiteindelijk volwassen het weeshuis verliet, miste het de aansluiting met zijn familie, zijn achtergrond, zijn cultuur. Institutionalized, noemden ze dat.

Met een kater schooltje bouwen

Op het bouwproject dat ik bezocht was het die dag erg rustig: de bouwgroep was de avond ervoor uitgeweest en de helft had besloten de kater in z’n safaritent te verwerken. Het doel, een nieuwe eetzaal voor een basisschool, was nog niet als zodanig herkenbaar. De opzichter schatte dat het gebouw over vier jaar af zou zijn. Er waren immers niet altijd vrijwilligers om verder te werken, veel van de vrijwilligers hadden geen ervaring met constructiewerk en bovendien bleef het vrijwillig – niemand hoefde te komen.

Naast de eetzaal lag een klein stuk aarde waar nog net de resten van een stel verpieterde planten en een geïmproviseerd irrigatiesysteem te zien waren. „Een initiatief van een vrijwilliger”, zei de opzichter. „Maar ja. Die is alweer weg.”

De realiteit is dat jonge mensen, die vaak nog nooit in een ontwikkelingsland zijn geweest, terechtkomen in een compleet onbekende cultuur om daar werk te gaan doen waar ze niet voor opgeleid zijn. En natuurlijk kan je het bekijken vanuit de kant van de vrijwilliger. Kan je het ‘een bijzondere ervaring’ noemen, een ‘kans op zelfontplooiing’ en iets wat ‘goed staat op je cv’. Je kan zelfs denken: ach, het is gewoon een aangename doe-vakantie waardoor ze hopelijk later in hun leven fair trade koffie zullen kopen.

Maar de projecten waar deze jongeren werken, zijn geen Truman Shows met ingehuurde acteurs. Het zijn echte schoolkinderen aan wie ze lesgeven, echte baby’s die ze verzorgen. Het is absurd: jongeren die hier net van de middelbare school komen, staan daar voor de klas. Hoe enthousiast zouden Nederlandse ouders zijn wanneer de 19-jarige Tanzaniaan Abdu op de basisschool van hun kinderen Engelse les komt geven – een taal die niet zijn eerste taal is, laat staan dat hij iets van het Nederlands begrijpt. Om met kinderen te werken heb je een pedagogische achtergrond nodig, en het feit dat er katerige jongeren ingezet worden om scholen te bouwen is op zijn zachtst gezegd onhandig – zeker in landen waar juist veel ongeschoolde krachten wonen.

Wij zijn niet rijk, wij studeren

Hoe goed de bedoelingen misschien ook zijn, de overtuiging van jongeren om daar te gaan helpen komt voort uit de veronderstelling dat de omstandigheden daar zó erbarmelijk zijn, dat wij altijd wel iets kunnen toevoegen, of we er nou voor gestudeerd hebben of niet.

Goed, misschien is het werk niet altijd zinvol, kwalitatief of consequent, maar iedereen leert er wel van, toch? Een culturele kruisbestuiving, waarna alle deelnemers gebroederlijk een arm om elkaar slaan en verzuchten dat het zo interessant is geweest om elkaar te leren kennen. Ook dat vind ik twijfelachtig: in de gesprekken die ik voerde met vrijwilligers, leek de afstand tussen de culturen zich juist te hebben vergroot. Voorbeeld: in Nederland vinden we tijd zo ongeveer ons grootste goed. De jonge vrijwilligers voelden zich daardoor vaak onbegrepen: „Wij zijn niet rijk, wij studeren gewoon. We komen helemaal hier naartoe om onze tijd en aandacht te geven, maar we horen alleen maar: ja, maar heb je ook geld?” De inwoner van Moshi wordt op zijn beurt telkens geconfronteerd met jongeren die wél een luxueuze telefoon, een spiegelreflexcamera en een vliegticket bezitten. Tijd? Daar heeft-ie zelf zat van. Op een idyllisch landweggetje hoorde ik kinderen de enige zin Engels die ze kenden naar de voorbijkomende vrijwilligers roepen: „Mister, give me watch?”

Het is goed dat zoveel jongeren nieuwsgierig zijn, dat ze interesse hebben in vreemde landen en culturen en dat ze zich willen inzetten voor anderen. Maar veel vrijwilligersprojecten zijn in het beste geval bezigheidstherapie, en in het slechtste geval schadelijk. De komst van zo’n grote stroom vrijwilligers heeft invloed op een stad, op een samenleving. Het staat niet los van de werkelijkheid, maar verandert die.

Zolang er geld aan verdiend wordt, heeft de vrijwilligersindustrie er geen belang bij om te veranderen – of de problemen op te lossen die ze zeggen aan te pakken, overigens. Dus maak vooral die verre reis, koop die fair trade koffie en ga Internationale Betrekkingen studeren. Maar onthoud: goedbedoeld is geen excuus.

Voor de mensen die toch vrijwilligerswerk in het buitenland willen doen, hier een paar punten die kunnen helpen bij het kiezen van een project:

  1. Natuurlijk is niet elke commerciële onderneming een gewetensloze geldwolf, maar de meese vrijwilligers hopen toch dat hun bijeengesprokkelde geld terechtkomt bij de mensen die ze proberen te helpen. Hoe wordt het geld dat je moet betalen bij jouw project besteed? Zijn ze open over hun financiën? Een non-profit organisatie moet transparant zijn over hun financiële achtergrond en is bijvoorbeeld verplicht hun jaarcijfers te laten zien – een bedrijf hoeft dat niet. Bij de KvK kan je zien of je te maken hebt met een BV of met een internationaal bedrijf.
  2. Wat ga je precies doen? Waar komt de vraag vandaan, is dat vanuit de gemeenschap zelf? Als je een school gaat bouwen, weet de organisatie dan welke leerlingen daar uiteindelijk naartoe zullen gaan? En hoeveel andere scholen er al in de buurt zijn? Wordt er gewerkt met experts? Wat wordt er beloofd op het gebied van begeleiding?
  3.  Jij bent het nuttigst als je gebruikmaakt van je vaardigheden – dat is hier zo en dat is daar niet anders. Bedenk waar je goed in bent, iets wat je ook hier officieel zou mogen doen. Mocht je nog niet zulke talenten bezitten: ga eerst studeren en daarna naar het buitenland.
  4. Luister naar Unicef en ga niet in een weeshuis werken. Kies een project waarbij je teksten vertaalt of handgeschreven tekst invoert op de computer – het staat misschien minder leuk op Facebook, maar er is wel echt behoefte aan.
  5. In Nederland kan je ook vrijwilligerswerk doen! Wij hebben genoeg ouderen of mensen met een handicap waarmee je leuk naar Burgers’ Zoo kan gaan – heb je toch nog wat zebra’s in de buurt.

De weeshuizenindustrie in Cambodja

Documentairemaakster Eline Bodbijl maakte een film over weeshuizen in Cambodja. Ze was geschokt over wat ze daar aantrof: “Hoe meer toeristen er naar Cambodja komen, hoe meer weeshuizen er worden opgericht. Bijna alle kinderen die ik sprak, hadden ouders. Sommigen waren simpelweg van de straat gepikt en naar een weeshuis gebracht.” De omstandigheden in de huizen zijn vaak ellendig: misbruik, verwaarlozing. Maar soms zijn de weeshuizen er juist expres zo slecht aan toe: als toeristen zien dat het dak lekt, geven ze meer. Het jaar daarop is het dak natuurlijk nog steeds niet gemaakt. Vrijwel alle Cambodjaanse weeshuizen draaien op giften van vrijwilligers en sponsors – geld uit de VS, Vietnam, Australië. “We hebben één weeshuis financieel onderzocht en ontdekten dat het 2,5 ton per jaar aan winst maakte – dat is alsof je hier in Nederland met een weeshuis 2 miljoen verdient.”

De weeshuizen worden aangepast op de toeristen en vrijwilligers. In sommige weeshuizen wordt alleen maar geknuffeld. “Omdat de kinderen te horen krijgen dat vrijwilligers dat leuk vinden en er geld binnengehaald moet worden. Je komt binnen en er springen kinderen op je af – dat is vreemd. Kinderen horen een bepaalde reserve te hebben tegen vreemden, en veel aanraken zit ook niet in de Cambodjaanse cultuur. In sommige weeshuizen mocht je ook gewoon even een kind meenemen, zonder ook maar iets aan informatie of identificatie achter te laten. ‘We nemen er eentje mee, voor een uitje’, zeiden wij. ‘Dat is goed, welke wil je?’ was het antwoord.”

‘Thank you for your donations’ van Eline Bodbijl, verwacht zomer 2015

Stichting Volunteer Correct wil de vrijwilligersindustrie transparanter maken

Reinier Vriend woonde in 2009 ruim een jaar in Kaapstad en deed daar voor zijn scriptie onderzoek naar de plaatselijke vrijwilligersindustrie. Hij concludeerde dat de groepen die de meeste hulp nodig hebben, die hulp het minste krijgen: kleine organisaties hebben veel meer moeite om vrijwilligers te mobiliseren dan grote bedrijven, die met hun search engine optimization de concurrentie wegdrukken. Hij noemt het contra-intuïtief: “Je denkt bij liefdadigheid aan geven, maar de grote spelers zijn juist bedrijven die geld verdienen.” Hij besloot samen met vriend en filmmaker Kuba Szutkowski de documentaire ‘Making a difference’ te maken over de vrijwilligerswereld. Tijdens het filmen ontstond het idee van Volunteer Correct: een stichting die de vrijwilligersindustrie in Kaapstad in kaart wil brengen – met behulp van vrijwilligers. “Tijdens 'Project Kaapstad' gaan we met een tiental Nederlandse vrijwilligers en evenzoveel Zuid-Afrikaanse een informatiepunt bouwen om de industrie transparanter en inzichtelijker maken, een soort portal waar we filmpjes en artikelen op delen. We behandelen verschillende thema’s, bijvoorbeeld over beeldvorming: in 25% van de foto's die bedrijven gebruiken om vrijwilligers te lokken, komen wilde dieren voor, terwijl het meestal om sociale projecten gaat die niets met wilde dieren te maken hebben. Zuid-Afrikaanse filmmakers houden lezingen en onze vrijwilligers maken ook zelf filmpjes om alle kanten van de Zuid-Afrikaans vrijwilligersindustrie te laten zien. Zo tonen we dat je via een groot bedrijf eigenlijk alleen maar wordt doorverwezen naar een project dat je ook zelf direct kan boeken – maar het doorlinken kost je wel al 400 euro, die in Nederland blijft hangen. Het belangrijkste is dat de potentiële vrijwilliger bij zichzelf te rade gaat voordat hij zomaar boekt.” Volunteer Correct verwacht dit model uiteindelijk ook in andere landen toe te kunnen passen.