Ik zag hoe mijn zoon radicaliseerde

In Jeruzalem schoot een Palestijnse man een joodse activist neer, waarna hij zelf werd doodgeschoten. De vader van de Palestijnse man vertelt hoe zijn zoon radicaliseerde: „Nadat hij op tv beelden van de intifada zag, werd hij gewelddadig.”

Ze hebben het familiehuis al aardig schoon gekregen, het dakterras zit nog onder de bloedvlekken. Hier, in de wijk Abu Tor in Oost-Jeruzalem, werd de 32-jarige Mu’taz Hijazi donderdagochtend doorzeefd met kogels van Israëlische agenten. Er ligt ook een groot, gebroken glazen paneel. „Daarmee hebben ze hem op zijn hoofd geslagen toen hij al dood was”, zegt Ibrahim Hijazi (67), de vader van Mu’taz.

Mu’taz Hijazi werd ervan verdacht dat hij woensdagavond een moordpoging ondernam op Yehuda Glick, een activist die ijvert voor meer joodse toegang tot de Tempelberg in Oost-Jeruzalem. Op deze plek bidden moslims in de Rotskoepel en de al-Aqsa-moskee.

Glick (48) overleefde het ternauwernood – van dichtbij kreeg hij twee kogels in zijn borst. Hij is nog niet buiten levensgevaar. De aanslag vormde de aanleiding tot enkele dagen van onrust in Oost-Jeruzalem. Israël sloot de Tempelberg donderdag voor het eerst in veertien jaar zelfs helemaal af. In Arabische wijken gooide Palestijnse jeugd met stenen; Israëlische militairen antwoordden met traangas.

Zelf werd Ibrahim Hijazi donderdag meegenomen voor verhoor over de daad waarvan zijn zoon werd verdacht. Later die dag kwam hij weer vrij. Op vrijdag ontvangt hij in zijn woonkamer met koffie en dadels. Een bevriende arts is op bezoek. In een zijkamertje zitten de vrouwen, onder wie de moeder en het jongere zusje van Mu’taz. Terwijl zij rouwen om de dood van hun zoon en broer, weigert Ibrahim condoleances in ontvangst te nemen. „Dat doe je als iemand sterft na een ziekte. Maar mijn zoon is niet dood. Hij is een martelaar vanwege zijn verzet tegen de bezetting.”

Geen identiteitskaart

Hijazi vertelt hoe zijn zoon radicaliseerde. Hij werkte als elektricien in Jeruzalem, zijn geboortestad. Maar omdat zijn familie lang in de Verenigde Arabische Emiraten woonde, had hij geen identiteitskaart van Jeruzalem. Voor inwoners van Oost-Jeruzalem is zo’n kaart elementair om zich vrij door de stad te bewegen.

Daarom werd Mu’taz geregeld staande gehouden bij checkpoints, zegt zijn vader. „Ze namen hem altijd apart. Dan moest hij twee of drie uur wachten voordat hij verder mocht.” Tot drie keer toe werd hij op straat geslagen door een soldaat. Toen begon het innerlijke verzet, zegt Ibrahim Hijazi. Het was in de jaren van de Tweede Intifada (de Palestijnse opstand), die begon in 2000. „Mijn zoon was vredelievend, maar er knapte iets in hem. Nadat hij op tv beelden van de intifada zag, werd hij gewelddadig. Hij maakte gebruik van zijn functie als elektricien om kortsluiting te creëren in gebouwen. Zeven keer zette hij een gebouw in brand voordat hij gepakt werd.”

Mu’taz werd veroordeeld tot zes jaar cel. Vanwege misdragingen in de gevangenis kwam hij twee jaar geleden pas vrij, na 11,5 jaar waarvan 10,5 jaar in eenzame opsluiting. Volgens zijn vader had Mu’taz wonden aan zijn polsen, doordat een gevangenbewaarder hem herhaaldelijk voorttrok aan zijn handboeien. Mu’taz slaagde erin zijn geboeide handen onder zijn lichaam door te halen en daarmee een bewaarder in zijn nek te slaan.

De gelovige Mu’taz kon slecht verkroppen dat de toegang tot de al-Aqsamoskee geregeld wordt ontzegd aan moslims onder de vijftig jaar. Bovendien eisen steeds meer joden toegang tot de Tempelberg, die zowel in het jodendom als de islam wordt beschouwd als heilige plaats.

Toch een religieuze kwestie

Tot op heden hebben Israëlische politici willen verhinderen dat het Israëlisch-Palestijnse conflict – in essentie een territoriaal dispuut – zou uitgroeien tot een religieuze kwestie. Maar dat is aan het veranderen.

Activisten die ijveren voor meer joodse toegang tot de Tempelberg zijn er in alle soorten en maten. Extremisten als de architect Yoram Ginsburg willen dat de moskeeën worden gesloopt ten faveure van een derde joodse tempel. De neergeschoten Yehuda Glick is gematigder. Hij zou graag zien dat zowel joden als moslims kunnen bidden op de berg.

Ibrahim Hijazi vreest dat Israël zijn huis tegen de grond zal gooien, zoals het gewoonlijk doet bij Palestijnse terreurdaden. Toch toont zijn familie begrip voor de daad van Mu’taz. Zus Shayma (26) zegt: „De joden hebben hem twee keer gedood: één keer in de gevangenis, en nu nog een keer.”