Een regen van dissonanten kan verslavend mooi zijn

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: wat moeten we met experimentele muziek?

Illustratie Anna Klevan

Klassieke muziek is net bier. Als je het voor het eerst drinkt, vind je het niet lekker. Maar uiteindelijk word je toch alcoholist. Ook klassieke muziek zul je de tijd moeten geven. Het is, net als koffie, smaak die je je eigen moeten maken.

Dat geldt al helemaal voor veel muziek van de twintigste eeuw. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog waren veel componisten uitgekeken op de muzikale conventies, de in hun ogen beperkende harmonische structuren. Componisten als Igor Stravinsky en Arnold Schönberg verkenden nieuwe wegen. En die muziek weet zelfs een eeuw later nog luisteraars te choqueren. Hoe komt dat?

In de traditionele klassieke muziek, pop of jazz zit altijd een bepaald harmonisch verloop. Eén akkoord is het belangrijkst, namelijk de toonsoort waarin het stuk staat, waar het meestal mee begint en eindigt. We spreken dan van tonale muziek. In atonale muziek is die onderlinge verhouding tussen de akkoorden er niet. Akkoorden in majeur of mineur werden afgezworen.

Schönberg (1874-1951) was een pionier van de atonale muziek. Luister naar zijn Drei Klavierstücke (Opus 11) uit 1909 en je voelt het direct: er is geen vaste grond onder je voeten, de samenklanken lossen niet op zoals je verwacht en wilt dat ze dat doen.

In de jaren twintig ging hij nog verder: hij ontwikkelde een systeem waarin steeds alle twaalf tonen in een reeks langs moeten komen (dodecafonie). Schönberg kreeg veel navolging. Maar de nazi’s verklaarden zijn muziek en die van zijn medestanders tot Entartet en dus verboden. Schönberg, een Jood uit Wenen, vluchtte naar Amerika en zou zijn laatste jaren doorbrengen in Los Angeles.

Ironisch is dat Duitsland na de Tweede Wereldoorlog juist hét land werd van de moeilijke muziek. Componisten wilden afrekenen met het verleden en dus ook met de muzikale tradities. De techniek van Schönberg werd verder uitgebouwd (onder meer door Pierre Boulez) en er werd volop gespeeld met elektronica en toevalselementen in de muziek (bijvoorbeeld door Karlheinz Stockhausen).

De muziek uit deze periode kun je vergelijken met abstracte beeldende kunst. Al heb ik over Stockhausen nog nooit iemand horen zeggen dat z’n neefje van vijf ook wel kan wat hij deed. Wel wordt de muziek verweten dat die alleen voor het hoofd is, niet voor het hart. Maar ook een regen aan dissonanten kan mooi zijn, als je je ervoor openstelt. Veel liefhebbers van atonale muziek worden bovendien aangetrokken door de onvoorspelbaarheid.

Om eerlijk te zijn: toen ik voor het eerst Schönberg hoorde, vond ik er niks aan. Het was een primitief gevoel van verontwaardiging. Zijn noten voelden als een oorlogsverklaring aan alles wat ik mooi vond. Onterecht – niet alleen omdat noten geen kwaad spreken, maar ook omdat hij er stellig van overtuigd was dat hij de grote Duitse muziektraditie voort moest zetten.

Ik was om toen ik Verklärte Nacht hoorde. Een strijksextet uit 1899, gebaseerd op een gedicht waarin een vrouw tijdens een nachtelijke wandeling aan haar nieuwe geliefde opbiecht dat ze zwanger is van een ander. Het is een stuk vol duistere schoonheid – verankerd in de romantiek, maar harmonisch zó vernieuwend. Een trip van 27 minuten. En de beste inleiding tot de klassieke muziek van de 20ste eeuw die er is.