De inkoop jeugdzorg is te laat. Logisch

Vertraging jeugdzorg

Ruim tweehonderd gemeenten hebben problemen bij het inkopen van jeugdzorg. Er heerst lichte paniek. Maar echt onverwacht is het niet.

Kinderen van jeugdzorginstelling Youké in de regio Utrecht. Veel instellingen weten niet waar ze aan toe zijn volgend jaar. Foto’s Ananda van der Pluijm

De deadline was helder. Uiterlijk 1 november, afgelopen zaterdag, moesten de contracten ondertekend zijn tussen gemeenten en aanbieders van jeugdzorg: van welke gezinsvoogden, psychiaters, opvoedbegeleiders of residentiële zorghuizen zou de gemeente vanaf volgend jaar jeugdzorg inkopen? Eindelijk zou er definitief duidelijkheid komen voor de enkele honderdduizenden jongeren die jeugdzorg krijgen.

Maar die duidelijkheid is er niet. Meer dan de helft van alle gemeenten heeft de deadline gemist, zo werd vrijdag bekend.

Doden zullen er niet meteen door vallen – de deadline is vooral politiek. Hoogstens moeten de écht trage gemeenten de macht over hun eigen jeugdzorgbeleid tijdelijk uit handen geven: waar in december de inkoop nog niet geregeld is, neemt het ministerie van VWS het over.

Verontrustend is de situatie wel. Twee maanden vóór een metamorfose van de jeugdzorg weten honderden instellingen nog steeds niet hoeveel zorg zij volgend jaar gaan leveren en voor hoeveel geld. Jeugdwerkers vrezen werkloosheid. Sommige instellingen voor faillissement. En ouders vragen zich terecht af of hun kind straks écht wel de zorg krijgt die het nodig heeft.

Rijst de vraag: hoe kan dat? Alle betrokkenen – kabinet, gemeenten, jeugdzorginstellingen – wensen immers al tijden dat de overheveling van de zorg voor kwetsbare kinderen gladjes verloopt.

Vijf redenen waarom cruciale afspraken tóch zo laat worden gemaakt.

1 Wetgeving kwam veel later rond dan verwacht.

De Eerste Kamer keurde de nieuwe Jeugdwet half februari 2014 goed. Dat was laat, vonden gemeenten en instellingen. Zij hadden één jaar verlangd – en liefst langer. Alle jeugdzorg – een lappendekken aan instellingen en verantwoordelijkheden versnipperd over provincie, gemeenten en twee ministeries – zou immers onder de hoede vallen van alleen gemeenten. De jeugdzorg moest bovendien een ander karakter krijgen: meer gericht op het voorkomen van problemen bij kinderen dan op het behandelen ervan. Als klap op de vuurpijl zou het budget de komende drie jaar krimpen. Met vijftien procent.

De gemeenten kregen dik tien maanden, niet meer. De late goedkeuring door het parlement hing weer samen met de complexiteit van de verandering: het schrijven van het wetsvoorstel was tijdrovend, en het voortdurende overleg tussen kabinet en gemeenten ook.

Uitstel van de overheveling naar, zeg, 2016, is nooit een realistische optie geweest. De decentralisatie van de jeugdzorg is vastgeklonken aan die van de langdurige zorg en werk en inkomen – alle met 2015 als startjaar. Het kabinet en óók gemeenten hebben daar van meet af aan op aangestuurd.

2 Gemeenten weten nauwelijks hoeveel geld ze kunnen uitgeven.

Oké, gemeenten gingen het doen. Maar dan moest wel helder worden hoeveel geld voor jeugdzorg elk van de 403 gemeenten toekwam. Dit is een struikelblok van jewelste gebleken, zo ontdekte het ministerie van VWS. Ambtenaren zijn al in 2011 begonnen met voorrekenen – en ze rekenen nu nog steeds. Het becijferen van het totale budget ging nog wel: zo’n 3,5 miljard voor de jeugdzorg in 2015.

Maar hoe verdeel je dat geld? VWS moest achterhalen in welke gemeenten de ouders van het kind wonen. Maar probleemkinderen komen nogal eens uit gebroken gezinnen. En soms wonen de kinderen niet bij de ouders, maar in grote instellingen. Voor al die kinderen moest worden achterhaald, in welke gemeente hun vader of moeder woonde op het moment dat het gezin zich bij jeugdzorg meldde. Dit zogenoemde ‘woonplaatsbeginsel’ alleen heeft weken zo niet maanden aan vertraging opgeleverd. Eind mei 2014 kwam VWS weliswaar met de ‘definitieve’ budgetten, maar die namen de onduidelijkheid bij gemeenten niet definitief weg: was dit wel genoeg geld?

3 Verkiezingen. Nieuwe wethouders moesten zich opnieuw inlezen.

Het heeft niet geholpen dat er juist dít jaar gemeenteraadsverkiezingen waren. Tijd en aandacht gingen op aan campagnevoeren, wethouders staakten hun werk omdat ze niet over hun graf heen wilden regeren. Vele wethoudersgraven werden inderdaad gedolven – denk aan het historische verkiezingsverlies van de PvdA. Veel nieuwe wethouders jeugd traden dus aan. Soms hebben zij zeer weinig, of geen, ervaring in de jeugdzorg. Zij moesten zich soms from scratch verdiepen in complexe materie als het woonplaatsbeginsel. Ook al bleven de gemeenteambtenaren wél op hun post zitten, de machtswisseling vertraagde, zegt een woordvoerder van Jeugdzorg Nederland: „Bij gemeenten met grote politieke verschuivingen hadden aanbieders soms het gevoel helemaal opnieuw te moeten beginnen.”

4 Veel jeugdzorginstellingen, veel gemeenten.

Ook de inkoop van jeugdzorg is tijdrovend gebleken. Gemeenten hebben zich weliswaar gebundeld in jeugdzorgregio’s die de zorg inkopen, maar in elke regio is er een veelheid aan jeugdzorginstellingen. Van grote residentiële huizen tot de vrijgevestigde jeugdpsycholoog. Zo hebben in Brabant Zuidoost – een verband van 21 gemeenten – niet minder dan 128 jeugdzorginstellingen deelgenomen aan een openbare aanbesteding. Daarvan zullen er honderd geld krijgen in 2015, zo heeft de regio besloten. Om tot dat besluit te komen, moesten wethouders en ambtenaren deze zomer duizenden pagina’s aan „aanbestedingsdocumenten” doorpluizen.

En soms waren dan weer vervolgvragen nodig, zegt Jannie Visscher, SP-wethouder jeugd in Eindhoven, regio Brabant Zuidoost. Maar – nog een probleem – Brabant Zuidoost kon die vragen alleen op vooraf geplande tijden stellen vanwege de knellende regels van het Europese aanbestedingsrecht waar de regio zich aan had onderworpen – net als tal van andere regio’s. Ook die Europese procedure leidde tot vertraging.

5 Wéér onduidelijkheid over geldkwesties.

De zo gewenste helderheid over budgetten is ook in het najaar niet gekomen. Sterker, de onduidelijkheid nam toe. Nu de offertes binnenkwamen van alle instellingen in de regio, konden gemeenten zélf gaan rekenen. Dat leidde in vele regio’s tot een onaangename verrassing: het budget dat VWS in het vooruitzicht had gesteld, bleek ineens veel te laag. „Jongens, dit kan niet waar zijn”, dacht de Eindhovense wethouder Visscher. Ze rekende het na en nog eens. Conclusie: „Het was wel waar.”

Hoe het kon wist ze niet, maar haar regio kwam „meerdere miljoenen” tekort bovenop de ingeboekte bezuinigingen. Voor de duidelijkheid: dit kwam ongeveer een maand geleden aan het licht, en het geldt voor zeker vijftien regio’s. Visscher: „Op dit moment is er geen betere verklaring dan dat het budget van VWS te laag is.”