Bij Raoul Dufy zijn kunst en decoratie één

Raoul Dufy, Les violons (detail), ontworpen circa 1914-1920, uitvoering 1989. Wol, 134×129 cm. Foto Pictoright

‘Decoratief’ een negatieve benaming voor een kunstwerk? Honderd jaar geleden dachten veel kunstenaars daar anders over. In die hoogtijdagen van de avant-gardes streefden kunstenaars naar een wereld waar alles kunst was: meubels, kleding, gebouwen, steden. Schilderkunst en kunstnijverheid vloeiden in elkaar over, dus nee, decoratief was geen scheldwoord. Toen de jonge schilder Raoul Dufy (1877–1953) rond 1900 zijn eerste schreden in de kunstwereld zette, zag hij hoe moderne meesters bezig waren met patronen en vlakverdeling. Hij schilderde een ode aan Gauguin, in een serie tropische palmbladeren in warme tinten – plat, als een behangetje ja, maar wat voor een behangetje.

Deze prachtige ode hangt op een solotentoonstelling van Dufy in Singer Laren in de eerste zaal met vroeg werk, waaronder meer schilderijen waarmee hij hommages lijkt te brengen. Een stad opgebroken in vlakken – naar Picasso. Een hoekig landschap: Cézanne. Golvende lichamen: heel Matisse, die ook al viel voor patronen. Kijk rond in die zaal en je ziet alle avant-gardes, door de ogen van Dufy. Een spons was hij, een getalenteerde veelvraat – toen nog wel.

Want in de jaren tien kwam hij tot een eigen, volwassen stijl. Doorgaans is zulk wasdom een optelsom van iemands kunnen, maar Dufy leverde scherpte in. Hij ontwikkelde een lichtzinnig fauvisme, met losse verfvegen, zachte tinten, in composities met lijnen die soms een ander leven leiden dan die decoratieve kleurvlakken. Het is heel Zuid-Frans: bootjes, paardenraces, dames met hoeden, een wolkige pastelwereld zonder schaduwen waar hij ook in het echte leven in opging. Toen in 1944 het casino in Nice was verwoest, voerde hij het in 1946 toch nog op in een aquarel van de badplaats: dromerige lijnen als een fata morgana.

Dat dromerige verlangen geeft Dufy’s joie de vivre een onmiskenbare eigen signatuur, maar tegelijk is het zo lichtvoetig dat het oppervlakkig blijft. Dat maakt de tentoonstelling onevenwichtig na die geweldige start met vroeg werk. Wat is er gebeurd met dat jonge talent? Was hij toch niet zo goed? Verkocht dit het beste? Zelf zei Dufy dat hij niet van kwaadaardige kunst hield, maar praktische overwegingen zullen best een rol hebben gespeeld. In 1899 had hij een beurs, rond 1910 moest hij andere middelen zoeken en ging hij als stofontwerper aan de slag – een schot in de roos. Zijn bloemenpatronen bleken erg geliefd. Vanaf dat moment zie je dat zijn aquarellen en dessins verwant blijven, schelpen en bloemen in zachte lijnen en kleuren.

Daarmee verwezenlijkte Dufy in zekere zin de droom van avant-gardisten dat kunst en decoratie één moesten worden. Zijn stoffen worden zelfs nog steeds gedragen, onlangs weer in productie gebracht bij Zara en Marc Jacobs. Hij was dus bij leven én postuum een succes – een prestatie. Maar toch, als je door zijn tentoonstelling loopt, langs al die zachtblauwe zeegezichten met licht weerkaatsende golven, ervaar je als kijker een gevoel van tragiek. Want ergens zat er toch meer in hem dan die behaaglijke aquarellen.