Beledigen mag, mits goed onderbouwd

De zaak Hiddema vs. Oppenheimer verwart journalistiek Nederland. Wat mag een cartoonist of een columnist nog zeggen? Het hangt onder meer af van wie je beledigt.

Strafpleiter Theo Hiddema (links) in het kort geding dat hij aanspande tegen cartoonistRuben L. Oppenheimer (rechts). Foto Novum

Cartoonist Ruben L. Oppenheimer heeft een „heel arsenaal aan grappen” klaar liggen over het kort geding dat hij verloor van strafpleiter Theo Hiddema. De rechter bepaalde vrijdag dat hij Hiddema in een cartoon geen „louche advocaat” had mogen noemen. „Ik leg momenteel al mijn cartoons voor aan mijn advocaat. Fnuikend. Ik ben mijn eigen censor geworden.”

Door de veroordeling is Oppenheimer in verwarring. En hij niet alleen. Want wat mag een cartoonist of columnist wel en niet zeggen in Nederland?

Het goede nieuws: hij mag bijna alles. In Nederland worden dan ook nauwelijks cartoonisten of columnisten veroordeeld. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bepaalt dat onder de vrijheid van meningsuiting ook meningen vallen die „kwetsend, schokkend of verontrustend” zijn. Het Hof geeft cartoonisten en columnisten extra grote vrijheid. Zij mogen meer overdrijven en zich krachtiger en ongenuanceerder uitlaten dan gewone journalisten.

Het slechte nieuws is: de grens is onduidelijk. De cartoon of column kan kwetsen of beledigen, discriminerend of opruiend zijn. Daar zijn ook wetten tegen. En soms botsen die met de vrijheid van meningsuiting. Wat zwaarder weegt, moet van geval tot geval bekeken worden.

Als je iemand beledigt, moet je dat kunnen onderbouwen. Een mening is daarbij vrijer dan iets dat als vaststaand feit wordt gepresenteerd. En: hoe zwaarder de belediging, hoe beter de onderbouwing moet zijn. Volgens Egbert Dommering, hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam, draait het hierom in de zaak-Oppenheimer. „Het gaat om de vraag: is er een feitelijk oordeel of een waardeoordeel over de advocaat gegeven. In het eerste geval moet de feitelijke onderbouwing sterker zijn.” Als voorbeeld noemt hij journalist Jort Kelder, die van de rechter Moszkowicz geen ‘maffiamaatje’ mocht noemen.

Verder gaat het om wie wordt beledigd. Dommering: „Een gewone, onbekende advocaat mag je niet zomaar iets naar zijn hoofd slingeren. Maar als hij bekend is van publieke optredens en zelf krasse uitspraken doet, dan wordt hij minder beschermd.” Hoge bomen vangen veel wind.

Volgens Dommering mag er steeds meer: „De stijl is veel grover geworden en de rechtelijke macht is meegegroeid.” Toch zijn er wat ‘piketpaaltjes’: de koning kun je beter niet beledigen. Antisemitisme is een andere (zie inzet). Die uitzonderingspositie is juridisch vreemd, maar is nu eenmaal historisch, cultureel bepaald. Moslims en de islam vormen een andere gevoeligheid.

Hoe groot de verontwaardiging is, lijkt ook een rol te spelen. Het Europese Hof vond in 2008 dat de Frans-Baskische cartoonist Denis Leroy terecht was veroordeeld omdat hij twee dagen na 9/11 een grap maakte waarin hij de aanslag leek goed te keuren. Variërend op een Sony-slagzin schreef hij: „We all dreamt of it... Hamas did it.” Dommering vond dat oordeel toen onterecht: „Toch lijkt het Hof iedere keer de barrière van de wansmaak niet te kunnen nemen.”