Als Piketty z’n zin krijgt, betalen we huizenbelasting

Hogere vermogensbelasting betekent voor velen een woningbelasting, aldus Roelof Salomons en Mark van de Velde.

illustratie pavel constantin

Eind september zei minister Asscher (Sociale zaken en werkgelegenheid) dat kapitaalbezitters en grootverdieners steeds meer welvaart naar zich toetrekken, terwijl het welvaartsaandeel van gewone werknemers daalt.

Die trend moet volgens hem worden gekeerd, want hij wil „geen samenleving waar de helft van de rijkdom terecht komt bij een kleine elite van kapitaalbezitters, financiers en supermanagers”. Tussen de twaalf voetnoten bij Asschers toespraak ontbreekt wonderwel een verwijzing naar het alom bejubelde Kapitaal in de 21e eeuw van Thomas Piketty, hoewel de minister een meesterlijke samenvatting van dat werk leek te geven.

Piketty is in Nederland om zijn boek te promoten en op 5 november zal hij zijn apocalyptische kijk op de toekomst van het kapitalisme delen met de Kamercommissie Financiën.

Kenmerkend aan het kapitalisme van de 21e eeuw is volgens Piketty dat kapitaalbezitters zonder noemenswaardige inspanning rijker en rijker worden, terwijl de bezitsloze klasse zich het schompes werkt zonder er veel op vooruit te gaan. Dit scenario dreigt werkelijkheid te worden tenzij de overheid ingrijpt.

Het moet de Tweede Kamerleden die van Piketty gecharmeerd zijn een bijzonder gevoel geven dat hij hen ziet als mannen en vrouwen die de ijzeren wetten van het kapitalisme kunnen bijbuigen.

Welke politicus wil later het verwijt krijgen de weg naar het menselijke kapitalisme wel geweten maar niet bewandeld te hebben?

Piketty zal hen voorhouden dat een flink hogere belasting op grote vermogens en hoge inkomens vereist is om de verschillen tussen arm en rijk beheersbaar te houden. Bovendien zou daarmee het ontstaan van een klasse onproductieve renteniers, die dankzij erfenissen nooit zal hoeven werken, kunnen worden tegengegaan.

Deze boodschap past prima in het ideologische discours waarin gelijkheid en eerlijkheid simpelweg als synoniemen fungeren.

Wie meer belangstelling heeft voor de oorzaken van economische ongelijkheid dan voor ongelijkheid als statistisch fenomeen, komt echter tot de conclusie dat Piketty’s belastingplannen een schadelijke vorm van symptoombestrijding zijn. De loonstagnatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt en welvaartsgroei aan de bovenkant van de vermogensverdeling zijn namelijk geen communicerende vaten. Dat het reële inkomen van Nederlandse arbeiders nauwelijks stijgt, komt door een samenspel van demografische en technologische ontwikkelingen in combinatie met mondiale concurrentie; niet doordat John de Mol of Charlene de Carvalho-Heineken hoog in de Quote 500 staan.

Bestaande arbeid wordt vervangen door kapitaal of verdwijnt naar landen die buiten het bereik van de Nederlandse werknemer liggen. Piketty’s voorstellen veranderen daar niets aan: een straftaks voor de rijken houdt de opmars van de Chinese telecommunicatiegigant Huawei niet tegen en steekt de zelfrijdende auto van Google echt geen spaak in de wielen.

De werkelijke uitdaging voor Nederland is om jongere generaties werknemers klaar te stomen voor een arbeidsmarkt die zeer competitief is en waarvoor de vaardigheid om met technologie om te gaan cruciaal is. Dat is de beste manier om sociale mobiliteit te waarborgen en voor dynamiek in de welvaartsverdeling te zorgen.

Mocht er toch een forse vermogensbelasting worden ingevoerd, dan vallen de zwaarste klappen niet bij de twee procent Nederlandse huishoudens die op papier miljonair zijn, noch bij de meest vermogende tien procent van de huishoudens. Hun aantal is domweg te gering en hun vermogen te mobiel. Voor de overige negentig procent van de huishoudens geldt dat gemiddeld ruim driekwart van hun vermogen vastzit in het eigen huis.

Een hogere vermogensbelasting, kortom, betekent in de praktijk een huizenbelasting.

Arbeiders en kleine vermogensbezitters hebben niet zozeer last van de ijzeren wetten van het kapitalisme als wel van een loodzware overheid.

De belasting op arbeidsinkomen is internationaal gezien zeer hoog en over spaartegoeden groter dan 21.139 euro wordt per saldo 1,2 procent belasting betaald. De Nederlandse fiscus slaat kleine spaarders aan voor een percentage dat nota bene Piketty pas wil laten gelden voor vermogens van één tot vijf miljoen.

Uitgerekend in de enige zin die Piketty in zijn lijvige boek aan ons land wijdt, bekritiseert hij de vermogensrendementsheffing, die uitgaat van een volstrekt fictieve vermogensaanwas van vier procent.

Als het kabinet de financiële zelfredzaamheid van burgers wil vergroten, zou het enerzijds de belasting op arbeid moeten verlagen en anderzijds het plafond voor belastingvrij sparen fors dienen te verhogen.

Voor de weerbaarheid van huishoudens is de opbouw van vermogen namelijk een veel belangrijker kwestie dan de vraag hoe de vermogens verdeeld zijn.