Stadhuis ‘te wiebelig’: geen Berckheyde

Een stadsgezicht uit de Gouden Eeuw is volgens Christie’s niet van de oude meester Gerrit Berckheyde, horen joodse erven die hun van de Duitsers teruggekregen kunst veilen.

Het stadhuis op de Dam, eind 17de eeuw, vermoedelijk geschilderd door een leerling van Gerrit Berckheyde (1638-1698). (Olieverf op doek, ongedateerd, 75,3×91,4 cm). Voor een echte Berckheyde, bekend om zijn strakke lijnen, is het Amsterdamse stadhuis volgens kenners „te wiebelig” geschilderd. Foto Christie’s

Door een uitspraak van de Restitutiecommissie raakte het Amsterdam Museum in maart een topstuk uit zijn collectie kwijt, Het stadhuis op de Dam door Gerrit Berckheyde (1638-1698). Maar wat de erven van de Joodse textielhandelaar Sam Bernard Levie in handen kregen, was niet het kostbare meesterwerk dat het museum verliet, maar een schilderij afkomstig uit de ‘Studio van Gerrit Berckheyde’, mogelijk geschilderd door een leerling. Niet langer lijkt het doek tonnen waard, maar mogelijk slechts enkele tienduizenden euro’s.

De nieuwe toeschrijving is opmerkelijk genoeg te danken aan Christie’s, waar de erven het werk aanboden. Het veilinghuis werd getipt door een anonieme Nederlandse kunsthandelaar, die de toeschrijving in twijfel trok. Na vergelijking met een vrijwel identiek schilderij van Berckheyde in bezit van het Staatsmuseum in het Duitse Schwerin besloot het veilinghuis, in overleg met een aantal specialisten, tot de afschrijving.

„Een bittere pil voor de erven”, zegt specialist oude meesters Manja Rottink van Christie’s. „Maar voor een Berckheyde is de voorstelling veel te wiebelig geschilderd.”

Een Berckheyde of geen Berckheyde, het scheelt bijna een nul in de waarde. Christie’s zal het stadsgezicht op 25 november in Amsterdam veilen met een richtprijs van 50.000 tot 70.000 euro. Als het doek een Berckheyde was geweest, zegt Rottink, zou het vermoedelijk in Londen zijn geveild met een richtprijs van omgerekend 380.000 tot 630.000 euro. Goede Berckheydes zijn duur: zes jaar geleden betaalde het Rijksmuseum in Amsterdam nog 1,5 miljoen euro voor De bocht van de Herengracht.

Norbert Middelkoop, conservator van het Amsterdam Museum, steunt de nieuwe toeschrijving. Hij haalde het doek, na de oorlog door de Duitsers aan Nederland overgedragen, in 1998 naar Amsterdam. Eerder hing het in het kantoor van oud-Mauritshuis-directeur Frits Duparc en toerde het langs musea in Canada, de VS en Japan. Net als vele andere deskundigen twijfelde Middelkoop nooit over de toeschrijving aan Berckheyde. „Maar als je het vergelijkt met dat uit Schwerin zie je de mindere kwaliteit goed.”

Op het doek staat het in 1665 voltooide stadhuis van Amsterdam. De zonnewijzer op de Nieuwe Kerk en de klok aan de stadhuiskoepel wijzen aan dat het bijna twaalf uur is. Op de Dam staan beurshandelaren te wachten op de opening van de nabijgelegen Beurs. De twee buitenlandse kooplieden, te herkennen aan hun oranje en helblauwe kleding, onderstrepen de rol van Amsterdam als internationaal handelscentrum.

Middelkoop: „Van Berckheyde zijn wel twintig stadhuisportretten bewaard gebleven. Ze waren zeer in trek en vonden hun weg naar vorstelijke verzamelingen. Dit zou een atelierrepliek kunnen zijn, een kopie gemaakt door een leerling op verzoek van de koper van het originele schilderij.”

Christie’s-directeur Jop Ubbens spreekt van een „diplomatieke” toeschrijving. „Veilinghuizen wordt vaak verweten dat ze zo commercieel zijn. Je ziet dat we ook kritisch kunnen zijn. We wilden geen toeschrijving waar we later spijt van kunnen krijgen.”

Niels de Boer, van de in oude meesters gespecialiseerde Kunsthandel P. de Boer in Amsterdam, toont begrip voor de beslissing van het veilinghuis. „In geval van twijfel kun je het beste op safe spelen.” Wat De Boer bevreemdt, is dat Christie’s de afschrijving niet toelicht in de catalogus. Ook plaatst hij vraagtekens bij de omschrijving ‘studio’. „Of Berckheyde een studio had, daar is niks over bekend. Ik ken geen tweede schilderij met die toeschrijving. Waarom is niet gekozen voor ‘Omgeving Berckheyde’?”