Rekenen, voorsorteren en soms een beuk geven

Met de massastart wordt het schaatsen aantrekkelijk voor veel meer rijders. Ook inliners uit Colombia kunnen dit leren.

Het schaatsseizoen is met de NK echt van start.Van boven naar beneden: de massastart, Ireen Wüst, Bo van der Werf en Sven Kramer. Foto’s ANP en Jasper Juinen

Dit is waar het op neerkomt: frisse benen houden en blijven staan, vijftien rondjes lang. En dan met een razendsnelle 500 meter afsprinten. Gerben Jorritsma straalt. Zo maakt de jonge Drent het in deze massastart af. Meedogenloos – nadat hij in de laatste ronde is gelanceerd door ploeggenoot Sven Kramer. „Mooi dit”, grijnst Kramer. „Het is heel anders schaatsen omdat je minder ruimte hebt met al die schaatsers om je heen. Maar een beetje duwen en trekken vind ik wel leuk.”

Thialf was al bijna leeg en de NOS-camera’s waren al ingepakt, toen gisteravond de nationale selectiewedstrijd voor de massastart werd gehouden. Voor de neutrale fan veruit het meest spectaculaire nummer, maar veel status heeft het nog niet. De introductie van de minimarathon over vijftien ronden, met dertig rijders aan de start, is de nieuwste poging het langebaanschaatsen aantrekkelijker te maken. Bij de WK afstanden, begin volgend jaar in Heerenveen, staat voor het eerst een wereldtitel op het spel. De verwachting is dat het bij de Winterspelen van Pyeongchang (2018) de olympische status zal hebben.

Het is anders, zegt Sven Kramer. Niet de pure snelheid in de individuele race tegen de klok bepaalt wie de winnaar wordt, zoals in het traditionele langebaanschaatsen – dit is een spel van tactiek, durf en sluwheid. Rondetijden tellen niet meer. Dit is opletten en rekenen, af en toe een beuk uitdelen. En voorsorteren voor de eindsprint. „Het is eigenlijk een shorttrackonderdeel op een 400-meterbaan”, zegt Geert Kuiper, benoemd als bondscoach voor de massastart.

De langebaners, geschoold als pure tijdrijders, vinden het een welkome aanvulling op het programma, maar onwennig is het wel, pack style schaatsen: overal benen en armen op een ijsvloer die snel verslechtert.

Kuiper is een groot fan van de nieuwe vorm. „Vroeger werden langebaanwedstrijden ook wel met een massastart gereden. Met een eindsprint is dit voor het publiek gegarandeerd leuk. Dat is de kracht hiervan.”

Er zijn meer voordelen. In een peloton zijn de verschillen kleiner. Waar Kramer op een gewone vijf kilometer vele seconden wint op de rest, kan een peloton makkelijk volgen. „Als je niet te gek doet, niet op kop rijdt en niet meedoet aan de tussensprints hoef je niet eens diep te zitten”, zegt sprinter Jorritsma. „Dan is het is bijna een 500 meter. Totaal anders dan een individuele vijf kilometer.”

Kuiper is benieuwd hoe de massastart zich ontwikkelt. Of de sprinters inderdaad gaan heersen, of eerder aanvallers als Kramer of Jorrit Bergsma, die van voren een moordend tempo kunnen rijden. Kuiper: „Het mooie van deze discipline is dat je allerlei verschillende sporters aan de start krijgt: inliners, langebaners, shorttrackers en marathonrijders.”

De sport lijkt op het oog geknipt voor shorttrackers, maar de eerste testen wijzen uit dat toppers als Sjinkie Knegt en Freek van der Wart op het rechte eind snelheid missen. Kuiper: „Jorien ter Mors is een type rijder dat dat heel goed kan. Ik verwacht ook veel van de Koreanen, die het shorttrack combineren met de langebaan.”

Maar de massastart kan ook als een magneet werken op de inlineskaters (skeeleraars) – schaatsers als Ronald en Michel Mulder, die gewend zijn om in de drukte te rijden. Ook toptalent Jorritsma (21) leerde daar het vak. „Als klein kind ben ik begonnen met skeeleren. Dat vond ik geweldig. Qua spel komt het overeen met de massastart.”

Dat opent ook de weg naar landen zonder schaatstraditie, zoals Colombia, waar het inlineskaten razend populair is. „Dat was ook het idee van de internationale schaatsunie achter deze nieuwe discipline”, zegt Kuiper. „Als het de olympische status krijgt kunnen inlineskaters toch de Spelen halen. Zo kan het schaatsen uitbreiden naar andere landen.”

Bij de mannen passen langebaanschaatsers als Kramer en Koen Verweij zich relatief makkelijk aan, al kwam Verweij gisteren ten val. Bij de vrouwen bevalt de chaos in de groep minder, blijkt bij toppers als Ireen Wüst en Marrit Leenstra. Wüst, die afgelopen zomer een testrace reed: „Ik probeerde weg te rijden, maar dat lukte niet. Vervolgens heb ik veertien rondjes aan de buitenkant van het peloton gereden. Ik was echt bang dat iemand me zou meenemen in haar val. Ik ben bang dat iemand op mijn ijzers stapt.”

Toch heeft de beste Nederlandse schaatsster aller tijden nog geen definitieve streep door het nummer gezet. Over drie jaar is er per slot van rekening een olympische medaille te halen. Door haar nationale titel op de 3.000 meter, zaterdag, zit ze automatisch in de voorselectie van Kuiper voor de wereldbekerraces. „Ik vind het wel leuk. Ik moet leren met andere schaatsers om me heen te rijden en moet gewoon niet zo’n pussy zijn. Misschien moet ik mijn reservebuizen onder mijn schaatsen schroeven.”