Rechter trapt in fatsoensval

Is de kort gedingrechter in Maastricht in de fatsoensval getrapt? Het lijkt er wel op. Strafrechtadvocaat Hiddema kreeg vrijdag gelijk van de rechtbank, die met hem vond dat een spotprent van NRC-cartoonist Ruben Oppenheimer in een plaatselijke krant onrechtmatig jegens hem was.

De cartoonist en zijn uitgever werden veroordeeld tot een potsierlijke rectificatie waarin beiden worden verplicht te erkennen dat mr. Hiddema géén louche advocaat is omdat dit „geen steun vindt in de aangedragen onderbouwing”.

Daarmee komt Oppenheimer de eer toe als eerste officieel een feitelijk onvoldoende onderbouwde spotprent te hebben getekend. En dat in een genre waarvan de rechter erkent dat het draait om „artistieke expressie, waarvan satire, spot, ironie, overdrijving en verdraaiing van de werkelijkheid wezenlijke bestanddelen vormen en welke is bedoeld om te provoceren en te stoken”.

Maar voortaan wel feitelijk voldoende onderbouwen, a.u.b.? Ongerijmd is hier een understatement. Tegelijk erkent de rechter dat het recht op vrijheid van meningsuiting mag worden uitgeoefend („zij het niet onbeperkt”) op een wijze die voor anderen kwetsend, verontrustend of aanstootgevend is. Dan zou ‘louche’ niet mogen?

Daar voegt de rechtbank Maastricht een bijzonder criterium aan toe. Cartoons dienen zo eenduidig te zijn dat een vluchtige, ongeïnformeerde lezer er maar één betekenis aan kan ontlenen. Mocht een lezer er iets anders in zien, dan komt dat voor rekening van de cartoonist, aldus de rechter. Dat komt in de buurt van een verbod op de dubbele laag, op het spelen met betekenissen, vormen en taal. Dat is helaas een complete miskenning van alle kenmerken van dit journalistieke genre.

Ook vrij bijzonder is de observatie van de rechter dat de tekenaar een feit bedoelde weer te geven en juist niet een „prikkelende mening”. Dat zou dan een primeur zijn, voor een cartoonist. Weet de rechter wel wat een spotprent is? Cartoonisten worden nóóit ingezet om feiten weer geven. Daar zijn (foto)-journalisten voor. Vervolgens vraagt de rechter zich af of de tekenaar de advocaat feitelijk wel ‘louche’ mocht vinden en antwoordt met nee. Na zoveel verkeerde afslagen eindigt het vonnis in de berm. Natuurlijk mag een tekenaar van spotprenten menen wat hij wil. Dat is namelijk zijn werk. De rechtbank Maastricht maakte hem monddood, met de verkeerde maatstaven. Hoger beroep moet uitkomst bieden.