Of Maarten ’t Hart al regenwulpen heeft gezien

Als aftrap voor Nederland Leest ging Maarten ’t Hart per helikopter vier oer-Hollandse plaatsen af.

Maarten ’t Hart op promotietour, landend, vliegend (rechts onder) en in een onderonsje met de burgemeester van Schagen. Foto’s Piroschka van der Wouw

‘Misschien gaan jullie wel regenwulpen zien.’ Het grapje wordt meerdere keren gemaakt wanneer Maarten ’t Hart op een zonnige zaterdagochtend om 11 uur vanaf een weiland in zijn woonplaats Warmond de helikopter instapt. Het is de aftrap van het evenement Nederland Leest, waarin het CPNB jaarlijks via bibliotheken een klassieker weggeeft. Dit jaar is het Een vlucht regenwulpen, de roman uit 1978 die van Maarten ’t Hart in één klap een succesauteur zou maken. „Als ik die roman nu zou schrijven dan zou ik ’m minder ernstig maken”, legt ’t Hart uit.

Voor vertrek stelt journalist Onno Blom, die een mooi nawoord schreef voor de luxe editie van Een vlucht regenwulpen, dat het ironisch is dat het boek dat uitgever en auteur indertijd niet echt zagen zitten, nu zó succesvol is dat heel Nederland het kan krijgen. ’t Hart laat het allemaal over zich heen komen, schudt zo nu en dan een handje en lacht vriendelijk. Hij ziet een beetje op tegen de vlucht. „Die dingen storten altijd neer, zeker in de buurt van booreilanden.”

Er wordt gewiekt richting de eerste etappeplaats: Schagen. „Het ziet er tot nu toe veilig uit, dus het zal wel goed gaan”, merkt ’t Hart op. Hij wordt zelfs enthousiast: „Kijk, je ziet de zee, duinen. Vanuit de lucht is het prachtig. Jammer alleen dat er geen naambordjes in de lucht hangen zodat je weet waar je vliegt.”

Vrij snel zien we beneden een groepje mensen in het rood: het zijn plastic rode poncho’s die de CPNB heeft uitgedeeld (voluit de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek). Reuze handig, vindt de piloot, die nu weet waar hij moet landen.

Bij een tentje in een Schagener weiland wordt ’t Hart welkom geheten door de burgemeester. Schagen is mooi, stelt ze, waarna ’t Hart zich achter een tafeltje zet onder een witte tent. Een rij rode poncho’s vormt zich. De eerste vrouw – het zullen vooral vrouwen zijn die ’t Hart zal treffen op deze dag – heeft een stapel romans bij zich om te laten signeren. Daar kunnen we niet aan beginnen, laat de organisatie haar weten. Alléén de editie van Nederland leest. Teleurstelling bij een man achter haar in de rij: hij wilde een eerste druk van Een vlucht regenwulpen laten signeren, mag dat echt niet? Nou vooruit. Een foto samen, ook daar blijkt tijd voor.

De volgende bestemming is Vriezenveen, dezelfde poncho’s, eenzelfde tent, dezelfde burgemeestersketting. Hier geen erelidmaatschap van een ijsclub, maar krentenwegge naar grootvaders recept en een overnachting in Twente om een keer alle vogels te bekijken, kraanvogels en dergelijke. Of ’t Hart nog regenwulpen tegengekomen onderweg, wordt gevraagd.

Terwijl we wegvliegen vertelt ’t Hart over zijn in februari te verschijnen roman Magdalena. „Die zou eigenlijk nu verschijnen, maar dat wilde de CPNB niet. De roman gaat over mijn moeder, want ze is – anders dan in Een vlucht regenwulpen waar ze aan keelkanker doodgaat – heel oud geworden. Ik heb mijn moeder altijd uit de wind gehouden, maar nu ze dood is, kan het. Ik vrees wel dat mensen straks denken dat ze een verschrikkelijk iemand was, maar dat is niet zo. Als je iets opschrijft lijkt het erger.”

Hoe ze vond dat ze in Een vlucht regenwulpen werd geportretteerd? „Dat ben ik niet, zei ze, en dat was ook zo. Alleen een oom die dominee was, stoorde zich eraan. Hij verkondigde ooit nog in een radioprogramma dat ik een leugenaar was omdat mijn moeder niet aan keelkanker was overleden. Toen werd hem uitgelegd dat het fictie was, maar dat deed er volgens hem niet toe: ik had nu bewezen dat ik een leugenaar was.”

In de volgende bestemming, Geldrop, is het wat drukker. Men had zich er op ander weer voorbereid: de zon staat vol op de poncho’s, paraplu’s en erwtensoep: het is bijna 20 graden. ’t Hart neemt een paraplu mee als aandenken.

Op naar eindbestemming Leiden. We landen weer in een weiland en worden op een hooikar gehesen. Geen tent dit keer: we gaan naar de bibliotheek midden in de stad. Mezzosopraan Tania Kross staat klaar om een ode aan Martha (de liefde van Maarten in Een vlucht…) te zingen, en CPNB-directeur Eppo van Nispen tot Sevenaer begroet ’t Hart: „Zeg Maarten, zijn jullie onderweg nog regenwulpen tegengekomen?” Waarop ’t Hart – de vraag nog steeds niet moe – antwoordt: „Nee, wel een hommel.”