Nee, ze zijn geen regenwulpen tegengekomen onderweg

Een vlucht regenwulpen van Maarten 't Hart staat dit jaar centraal tijdens Nederland Leest. Toen de roman in 1978 uitkwam stond niemand er op te wachten, dit weekend wel, in lange rijen zelfs, met rode poncho's aan.

Schrijver Maarten ’t Hart bezocht per helikopter Schagen, Geldrop, Leiden en Vriezenveen. Foto’s Piroschka van de Wouw/ANP

‘Misschien gaan jullie wel regenwulpen zien’. Het grapje wordt meerdere keren gemaakt wanneer Maarten ’t Hart op een zonnige zondagochtend om 11 uur vanaf een niet al te drassig weiland in zijn woonplaats Warmond de helikopter instapt. Het is de aftrap van Nederland Leest, het jaarlijkse evenement in de maand november, waarbij iedereen die lid is van een bibliotheek van de CPNB een klassieke Nederlandse roman krijgt geschonken. Dit jaar is het Een vlucht regenwulpen, de roman uit 1978 die van Maarten ’t Hart in één klap een succesauteur zou maken. ‘Als ik die roman nu zou schrijven dan zou ik ’m minder ernstig maken’, zegt hij later op de dag.

Voor vertrek stelt journalist Onno Blom, die een mooi nawoord schreef voor de heruitgebrachte editie van Een vlucht regenwulpen, dat het ironisch is dat een boek waarvan zowel de auteur als de uitgever in 1978 niet hadden verwacht dat het zou aanslaan, nu zó succesvol is geworden dat heel Nederland het gratis kan krijgen. ’t Hart laat het allemaal over zich heen komen, schudt zo nu en dan een handje en lacht vriendelijk. Hij ziet een beetje op tegen de vlucht. ‘Die dingen storten altijd neer, zeker in de buurt van booreilanden’, had hij eerder die week voorspeld.

Geen naambordjes in de lucht

Er wordt gewiekt richting de eerste etappeplaats: Schagen. „Het ziet er tot nu toe veilig uit, dus het zal wel goed gaan”, merkt ’t Hart op. Hij wordt zelfs enthousiast: „Kijk, je ziet de zee, duinen. Vanuit de lucht is het prachtig. Jammer alleen dat er geen naambordjes in de lucht hangen zodat je weet waar je vliegt.”

Vrij snel zien we beneden een groepje mensen in het rood: het zijn plastic rode poncho’s die de CPNB heeft uitgedeeld, met het logo van Nederland leest. Reuze handig, vindt de piloot, nu weet hij waar hij moet landen. Bij een tentje in een Schagener weiland wordt ’t Hart welkom geheten door de burgemeester. Schagen is mooi, stelt ze, waarna ’t Hart zich achter een tafeltje zet onder een witte tent. Een rij rode poncho’s vormt zich. De eerste vrouw – het zullen vooral vrouwen zijn die ’t Hart zal treffen op deze dag – heeft een stapel romans bij zich om te laten signeren. Nee, daar kunnen we niet aan beginnen, laat de organisatie haar weten. Alléén de editie van Nederland Leest. Teleurstelling bij een man achter haar in de rij: hij heeft een eerste druk van Een vlucht regenwulpen meegenomen, mag daar nu echt geen handtekening in?

Nou vooruit.

Een foto samen, ook daar blijkt eigenlijk wel tijd voor. Zoveel tijd zelfs dat hij uiteindelijk een keer of tien met Maarten ’t Hart op de foto gaat: telkens door iemand anders genomen, het hoofd van de man tegen dat van ’t Hart aangeduwd. Voordat we vertrekken krijgt ’t Hart nog een ijsmuts van de Schagener ijsclub, waarmee hij erelid is voor het leven.

De volgende bestemming is Vriezenveen, dezelfde poncho’s, eenzelfde tent, dezelfde burgemeestersketting. Hier geen erelidmaatschap van een ijsclub, maar krentenwegge volgens grootvaders recept en een overnachting in Twente wanneer het uitkomt, om eens alle vogels te bekijken, kraanvogels en dergelijke. Of ’t Hart nog regenwulpen is tegengekomen onderweg? Bij het wegvliegen moet de piloot zo dicht mogelijk langs de mensen scheren, zodat de rode poncho’s een beetje flapperen en de tent ook: mooie beelden voor het tv-programma Nieuwsuur.

Roman over z'n moeder

Terwijl de tocht naar Geldrop wordt ingezet vertelt ’t Hart over zijn in februari te verschijnen roman Magdalena. „Die zou eigenlijk nu verschijnen, maar dat wilde de CPNB niet. De roman gaat over mijn moeder, want ze is – anders dan in Een vlucht regenwulpen waar ze aan keelkanker doodging – heel oud geworden. Ik heb mijn moeder tot nu toe altijd uit de wind gehouden, maar nu kan het. Ik vrees alleen wel dat mensen straks zullen denken dat ze een verschrikkelijk iemand is geweest, maar dat is niet zo. Als je iets opschrijft lijkt het altijd erger. Hoe ze vond dat ze in Een vlucht regenwulpen werd geportretteerd? Dat ben ik niet, zei ze, en dat was ook zo. Alleen een oom die dominee was, heeft zich eraan gestoord. Hij verkondigde ooit nog bij een radioprogramma dat ik een leugenaar was omdat mijn moeder helemaal niet aan keelkanker was overleden. Toen werd hem uitgelegd dat het fictie was, maar dat deed er volgens hem niet toe: ik had nu bewezen dat ik een leugenaar was.”

De volgende bestemming, Geldrop, laat hetzelfde verhaal zien. Het is wat drukker en men had zich op ander weer voorbereid: de zon staat vol op de poncho’s, paraplu’s en erwtensoep: het is bijna 20 graden. ’t Hart neemt een paraplu mee als aandenken en we stijgen weer op naar de eindbestemming: Leiden. We landen weer in een weiland en worden op een hooikar gehesen die ons van het weiland afrijdt. Geen tent dit keer: we gaan naar de bibliotheek midden in de stad. Mezzosopraan Tania Kross staat klaar om een ode aan Martha (de liefde van Maarten in Een vlucht…) te zingen, en CPNB-directeur Eppo van Nispen tot Sevenaer begroet ’t Hart met de woorden: „Zeg Maarten, zijn jullie onderweg nog regenwulpen tegengekomen?” Waarop ’t Hart – de vraag nog steeds niet moe – antwoordt: „Nee, wel een hommel.”