In somber Rusland biedt de vuurdood verlossing

Foto annemie augustijns

Het gaat slecht met Rusland. Het volk lijdt, de adel vecht met de nouveau riche, onderdrukte gelovigen zwelgen in fanatisme. Wie niet wordt vermoord of gedeporteerd pleegt collectief zelfmoord. Liefde blijft onbeantwoord. Veel zwarter dan Khovansjtsjina bij de Opera Vlaanderen wordt het in de actuele culturele agenda niet.

Opvoeringen van Modest Moesorgski’s kolossale opera Khovansjtsjina (‘Het Khovanski-gedoe’) zijn zeldzaam. Het veeleisende werk bleef onvoltooid en kent nauwelijks verlichting. Dirigent Dmitri Jurowski kiest voor de meest gangbare reconstructie van Sjostakovitsj. Diens orkestratie doet geen poging de bittere pil te verzoeten: onheilszwangere pauken, militant koper en klokgelui steunen meanderende solo’s van voornamelijk lage mannenstemmen.

Die werden vrijdag bij de première in Antwerpen meestal uitstekend vertolkt. Een hoogtepunt bleek de tweede akte, waarin de Europagezinde prins Golitsyn (tenor Vsevolod Grivnov) de discussie aangaat met de als proleet geportretteerde bevelhebber Khovanski (de charismatische bas Ante Jerkunica). Ze vertegenwoordigen in 17de-eeuws Rusland twee facties aan de top, maar voelen de onoverwinnelijke macht van de altijd onzichtbare Peter de Grote als een knijpende hand op de keel.

Dosifej komt als derde macht tussenbeiden: deze leider van de aartsconservatieve Oudgelovigen, met compassie vertolkt door bariton Alexey Tikhomirov, verwijt de machthebbers gebrekkig moreel besef. Maar wat maakt het uit? Verbanning is onontkoombaar, men legt zich er bij neer.

Regisseur David Alden geeft die onvermijdelijkheid weer met klokwijzers die traag naar ‘vijf voor twaalf’ bewegen. Kostuums suggereren iets tussen de Russische Revolutie en nu. Veel méér valt er in zijn schijnbare lowbudgetproductie niet te beleven. Twee kale, bolle wanden vormen Kafkaëske gangen. Clichématig dictatoriale ordetroepen van Khovanski, broeierige blikken – veel extra’s voegt het niet toe.

Zo gaat de meeste aandacht naar de muziek. Jurowski hanteert een grof penseel dat niet misstaat. Het orkest realiseert ondanks de kleine strijkersbezetting een diepe klank. Maar bovenal is dit de voorstelling van het koor, voortdurend krachtig aanwezig als soldatenmassa, zoemende kerkgemeenschap of als buitenstaanders.

In de slotakte verzamelen de Oudgelovigen zich voor een vrijwillige massaverbranding – een beter Rusland is immers pas in het hiernamaals te bereiken. Ronkend wordt de immolatie aangekondigd en met heroïsch koor en geprojecteerde vlammen voltrokken. Dat dit toch een happy end is voor de progressieve Peter de Grote, hoort alleen de goede verstaander.