Feestshow is mix van passie en sentiment

Herman van Veen vrijdagavond (in een oude badjas) na zijn optreden in Carré Amsterdam. Van Veen staat zeven weken achtereen in Carré, 25/11 is zijn 500ste optreden in het theaterFoto: Andreas Terlaak

Na de eerste toegift, waarin hij verraste met een vertaalde versie van Alors on danse van Stromae, volgde er nog een handvol extra liedjes en pas daarna dirigeerde Herman van Veen zijn aanhoudend klappende, meezingende en om meer vragende fans de zaal uit. „Nu gaan jullie allemaal oe-oe zoemend naar buiten. Ik let op en wie het niet goed doet, stuur ik een e-mail.” Dat hielp, maar niet bij iedereen. Waarna het gordijn voor de tiende keer openging en hij voor de laatste honderd toeschouwers het geliefde Anne zong.

Het kon niet op. Tegen de drie uur lang vergaste Van Veen zijn publiek op een feestelijk theaterconcert, gespeeld door een strak musicerende band. De liedjes werden door de bijna zeventig jaar oude, maar ongekend vitale maestro met elkaar verknoopt door korte anekdotes, deels met hulp van een tekstboek op een katheder voorgedragen.

Het deftige in zijn stem, zo vaak geparodieerd, zit nergens in dit optreden van Van Veen. Een zigeunerjong is het, dat zingt over de dood, zijn familie en de eeuwige zoektocht naar vrijheid en dat danst, zingt, grappen maakt en zijn viool geselt. Zijn show is een balling van ongebreideld sentiment, mediterrane passie, volksidioom en koele perfectie, en afhankelijk van welk ventiel hij openzet komt er een zwierig liedje, een nostalgische anekdote of een oud-Hollands kinderdeuntje of –versje uit. Met hier en daar nog een kwiek pasje en zelfs een tapdansje.

Hoofdrollen in de band hebben de virtuoze gitariste Edith Leerkes en violiste Jannemien Cnossen, die worden geflankeerd door een vijftal talentvolle, jonge muzikanten. Het flamboyante spel van Leerkes geeft de liedjes van Van Veen het vloeiende karakter van Spaanse volksmuziek en zigeunerjazz. De knisperende elektronica van zijn laatste cd, Kersvers, werd nauwelijks ingezet. Helaas, want Vrijplaats, een gave ode aan het theater („Hier klimt het slangenmens behendig in zijn eigen reet, hier heet de horizon balkon”), werd mede een hoogtepunt doordat het lied opwindend werd ingekleurd met harde elektronische vegen.

Boven alles uit bij Van Veen gaat De Stem. Wie het over Herman van Veen heeft, praat over zijn Stem. In blakende vorm was die stem, met dat karakteristieke, gewatteerde timbre, dat romig en robuust kan uitpakken, en met die onbedwingbare neiging de hoogte in te gaan, de jubeling zoekend.

Van jubel ging het naar weemoed en terug op deze bonte avond. Hij vertelde over zijn moeder, „Olympisch kampioen stofzuigen en dubbeltjes omdraaien” en zijn drang om te zingen in de klas. Tegen de nostalgie in ging hij met een heftig kleinkunstlied, Meneer, dat inzet met „Waar is die God die zegt dat mijn zoon niet anders dan vrouwen beminnen mag.” Uiteraard herdacht de ontroerde zanger ook zijn onlangs overleden muzikale partner Erik van der Wurff. Dat paste bij deze viering van leven en dood, waarmee Van Veen liet zien nog aan de top van zijn vak te staan.