Een vieze nagel diep in het roze glazuur drukken

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer vormde Noël Cowards pikante pleidooi voor een anti-burgerlijke samenleving om tot een troebele eigentijdse zedentragedie.

foto anp

Elegant, eloquent en vrijmoedig anti-burgerlijk – althans, vanuit de fatsoensnorm van de jaren dertig bezien, dat is Noël Cowards toneelstuk Design for Living (1932).

Coward laat de vier hoofdpersonages; toneelschrijver Leo, schilder Otto, kunsthandelaar Ernest en Gilda, de vrouw die zij allen begeren, in volmaakte volzinnen wellevend, lichtvoetig en ironisch om elkaar cirkelen, in wisselende amoureuze constellaties. Hij eindigt zijn stuk met een voor die tijd pikant ménage à trois: Leo, Otto en Gilda besluiten gedrieën verder te leven, waarbij – uiterst subtiel – wordt gehint naar een meer dan vriendschappelijke affectie tussen Leo en Otto. Burgerman Ernest, partner van Gilda nadat ze relaties had met zowel Leo als Otto, is bij Coward intussen het mikpunt van hoon. Als het doek valt, is het onconventionele liefdestrio nóg bezig de bedrogen echtgenoot uit te lachen. Eind goed, al goed, met een vleugje ‘o la la’.

Met Design for Living hield Coward een mild-provocatief pleidooi voor andere samenlevingsvormen dan de burgerlijke moraal voorschreef, en dichtte daarin een voortrekkersol toe aan de kunstenaar. Dat was in Britse societykringen in de jaren dertig vooruitstrevend en nodig, zoals de censor wel bewees door een Britse opvoering tot 1939 te verbieden. Het stuk ging in 1933 met succes in première op Broadway.

Aantrekkelijke maar gedateerde materie, dus, oordeelde Ilja Leonard Pfeijffer. De dichter/schrijver werd door het Nationale Toneel gevraagd voor een nieuwe vertaling (er was er één uit 1995 van Laurens Spoor). Dat werd een vrijpostige bewerking, en uiteindelijk – bijna – een compleet nieuw stuk. Pfeijffer heeft de ‘blauwdruk’ van Coward behouden, maar die opengewerkt, geactualiseerd, en thematisch verrijkt. Cowards optimistische teneur en ‘happy end’ heeft hij bovendien omgebogen tot een diffuus en troebel open einde. Komedie werd drama.

Kunstenaar versus klootjesvolk

„Coward stelt zich de vraag: hoe verhoudt de kunstenaar zich tot de samenleving?”, zegt Pfeijffer aan de telefoon vanuit zijn woonplaats Genua. „Hij beantwoordt die door de uitzonderingspositie van de kunstenaar te benadrukken: die is onaangepast, anders, bijzonder. Dat was toen een nuttige provocatie. Maar zelfs de meest verstokte romanticus beseft dat je vandaag niet meer aan kunt komen met die ivoren torenmentaliteit, van de kunstenaar die zich verheven voelt boven het klootjesvolk. In tachtig jaar is de samenleving ingrijpend veranderd, en de positie van de kunstenaar dus ook.”

Wie zich in 2014 buigt over de verhouding tussen kunstenaars en de samenleving, stuit op heel andere dilemma’s: artistieke autonomie versus ondernemerschap, bijvoorbeeld. Otto en Leo zijn bij Coward beiden medium-succesvol, al stelt hun materiële status vergeleken met Ernest weinig voor. Pfeijffer verscherpt die premisse tot een contrast. Na een armoedige, artistiek autonome fase, waarin hij werk in opdracht weigert, heeft Otto uiteindelijk succes met een reeks schilderijen-op-bestelling van luiken van Genua. Leo is, na een mislukt commercieel uitstapje, juist principieel onaangepast. Dat levert heerlijke spitse dialogen en verwarrende vragen op.

Leo: ‘Kunst is nooit voor iedereen. Daarvoor is kunst veel te subversief, te verontrustend en te gevaarlijk.’

De kunstenaar, zegt Leo, heeft de heilige plicht te verontrusten, ‘omdat iemand dat moet doen.’

‘Ik ken je romantische en nostalgische voorstelling van het kunstenaarschap’, riposteert Otto. En: ‘Ik vind die achterhaald en kitsch.’

Een moderne kunstenaar is een ondernemer, vindt Otto. Maar Leo zegt: een ondernemer is geen kunstenaar. Zo werd de basisvraag van Coward wel behouden, maar de invulling is eigentijds.

Pfeijffer: „Hoeveel concessies moet je doen als kunstenaar, hoeveel vrijheid heb je? In een tijd waarin van kunstenaars nadrukkelijk ondernemerschap wordt geëist, en gevraagd wordt om de band met hun publiek aan te halen, zijn die vragen actueler dan ooit”. De schrijver suggereert overigens allerminst dat hij dat ingewikkelde vraagstuk op kan lossen. Hij heeft geen voorkeur voor het standpunt-Leo of dat van Otto – beide personages zijn in gelijke mate begrijpelijk en beklagenswaardig. Pfeijffer: „Coward laat heel duidelijk één moraal triomferen; de anti-burgerlijke levenshouding. Zijn stuk is een recept en dat recept is een provocatie. Maar ik vind het interessanter om vragen stellen. Ik ken het dilemma zelf ook goed – ik heb onlangs nog een gedicht voor ABN Amro gemaakt. Aan de ene kant wil ik de vrijheid hebben om autonoom werk te doen, om een paar onbedwingbare gedichten te kunnen schrijven. Aan de andere kant verlang ik naar werken in een structuur, een context, zoals bij toneel. Maar daarbij lever je ook in: ik heb nu de helft van een kunstwerk gemaakt, en ik moet nog maar afwachten hoe de andere helft wordt.”

Van regisseur Johan Doesburg hoorde Pfeijffer hoe de acteurs direct na de eerste lezing in een felle discussie over de materie ontstaken. „Wel of geen films doen naast het toneel, of reclamespotjes. Helpt het of hindert het je carrière? De acteur die de Albert Heijn-man is, kan geen Hamlet meer spelen. En de Page-vochtige doekjes kleven Halina Reijn toch aan. Dat de acteurs er zo op aansloegen, bewijst voor mij hoezeer het onderwerp leeft.”

Vrijbuiter of burgerman

Maar Pfeijffer wilde dat zíjn versie over meer ging dan de dilemma’s van kunstenaars alléén. Daarom maakte hij broers van Leo en Ernest (hier Ernst, topbankier). „Dat voegt een extra, familiaire spanning toe aan het contrast tussen de vrijbuiter en de burgerman.” Ook introduceerde hij een nieuw personage, hun moeder, Mathilde. Pfeijffer: „Zij is het contrapunt van die relatief losbandige ménage à trois. Als buitenstaander aanschouwt zij hun spel, waar ze geen deel aan heeft – het is nuttig zo’n personage erbij te hebben. Zij vormt de katalysator, die verborgen tegenstellingen aan het licht brengt.”

Pfeijffers voornaamste ingreep is echter dat hij van Gilda, bij hem Hilde geheten, een prominenter personage maakte. Doorstaat zij bij Coward de ménage à trois monter, zonder kleerscheuren en zelfs met plezier, bij Pfeijffer is ze een tragische heldin. „Ze kan niet kiezen tussen haar verlangen naar vrijheid en haar behoefte aan geborgenheid. Daarom kiest ze steeds de meest succesvolle van de kunstenaars.”

Dat is een omkering van Coward: die laat Gilda juist kiezen voor de armste, want succes is bourgeois en verdacht. Net als in het origineel beleeft Hilde bij Pfeijffer een kortstondig, ongelukkig huwelijk met Ernst, en komen de twee kibbelende kunstenaars haar terugclaimen. Ze gaat. Maar of dat haar gelukkig maakt, is zeer de vraag. „Meer dan ooit kunnen we ons leven zelf vormgeven, maar die vrijheid werkt verlammend, omdat elke leidraad ontbreekt. Hoe kies je dan je koers? In feite kiest Hilde niet. Dat geeft lucht, maar ook gebrek aan houvast. Als je alle ankers ophaalt, ben je dan vrij of raak je op drift? Dat is een prangend actueel vraagstuk.”

Met een extra, metatheatrale laag benadrukt Pfeijffer nog eens de benarde positie waarin Hilde zich bevindt. Actrice Anniek Pheifer spreekt hardop regieaanwijzingen uit, die Hilde denkt te moeten volgen. ‘Regieaanwijzing: Hilde knikt. Ze heeft eindelijk iets begrepen met dat kleine vogelkoppie van haar.’ En even later: ‘Ik moet hier echt mee stoppen. Ik laat mezelf uit het scenario schrijven zodra ik een ander toneelstuk heb gevonden dat mij wél bevalt. Wat ik nodig heb is een script, een design for living. Een blauwdruk voor een nóg beter leven.’ „Hilde heeft het gevoel dat ze is beland in een toneelstuk dat ze niet zelf heeft geschreven”, zegt Pfeijffer. Ze hunkert naar andere tekst, een andere rol. Maar hoe daar te komen? Ik denk dat veel mensen dat gevoel wel herkennen.”

Blauwdruk voor een nog beter leven, heet Pfeijffers stuk ironisch. „Want we hebben het al zo goed, wink wink, nudge nudge. Veel van het moderne ongemak schuilt in het niet kunnen settelen, en blijven streven naar meer en beter. Dat streven naar een nóg beter leven is juist wat het leven slechter maakt.”

Bloemrijk vuilbekken

Pfeijffer, in de eerste plaats dichter, daarna romancier, schreef twee keer eerder een toneelstuk voor gezelschap Annette Speelt, inmiddels ter ziele: De Eeuw van mijn dochter (2007) en Malpensa (2008). Hij weet dus hoe het is om voor acteurs te schrijven. „Maar ik vind het nog steeds spannend. Elk nieuw stuk stelt je voor nieuwe problemen, in opbouw, overgangen, ontwikkeling van de personages.” In de stijl is hij bewust „een beetje buigzaam” gebleven, zegt Pfeijffer; „ik bespeel verschillende registers.” Regisseur Johan Doesburg, die Pfeijffer in Genua bezocht, heeft zo goed mogelijk zijn acteurs beschreven, zodat Pfeijffer echt ‘op hun lijf’ kon schrijven: de aardige bal Vincent Linthorst (Ernst), stoere bonk Matteo van der Grijn (Otto) en de ongrijpbare ironicus Jeroen Spitzenberger (Leo). Het meest kon Pfeijffer zich uitleven bij Ernst, die als eloquente corpsbal uiterst bloemrijk mag vuilbekken. „Ernst heeft het meest zijn eigen stem. Leo, de intellectueel, put zich uit in complexe redeneringen en paradoxen. En Otto is de meest directe van de drie.”

Ook hier gold weer dat Pfeijffer ver wilde blijven van de, met alle respect, „archaïsche poppenkast” van Coward. „Die fraaie, wellevende volzinnen die zijn personages bezigen, zo praat niemand tegenwoordig nog. Ik laat de personages geregeld haperen, of een zin niet afmaken.”

Opvallend in Blauwdruk is de smeuïge, beeldende, plastische taal: „De wereld is plat en geglazuurd als een roze koek. Iemand moet zijn vieze nagel in dat glazuur zetten.” Soms lapt Pfeijffer plots alle toneelwetten aan zijn laars en serveert een onvervalst stukje proza, zoals de tekst van moeder Mathilde (Betty Schuurman) in het tweede bedrijf: ‘Dit appartement in hartje Hollywood met uitzicht op Central Park, New York, waar jij je vrouw in een dieprode herfstzon in haar Gucci-trainingsbroek laat joggen te midden van juichende eekhoorntjes, die met hun kleine, grage voorpootjes applaudisseren voor haar en jou en jouw succes?’

Hij gniffelt door de telefoon: „Ja, af en toe permitteer ik me een beetje over de top te gaan.”