Een baan? De promotor laat je vallen

Promovendi worden amper voorbereid op werk buiten de universiteit, aldus een enquête. Hoogleraren hebben daar zelf namelijk geen belang bij.

Foto DPA

Bestuurskundige Iris Korthagen is promovendus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze zit in haar vierde jaar. Toen ze halverwege vorig jaar haar begeleider voorzichtig voorstelde om werkervaring buiten de universiteit op te doen, en drie maanden stage te gaan lopen bij de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, viel dat niet goed. „Ik heb geen steun gekregen. Mijn begeleider tolereerde het omdat ik al goede publicaties had. M’n afdeling, de faculteit en de universiteit waren niet bereid de stage financieel te steunen, terwijl de Universiteit Utrecht dat bijvoorbeeld wel deed.

Onvrede

Het is de grootste klacht van promovendi: dat ze amper worden voorbereid op een carrière buiten de universiteit. Dat blijkt uit een enquête naar loopbaanverwachtingen, uitgevoerd door het Promovendi Netwerk Nederland en het Rathenau Instituut. De online vragenlijst werd door 2.500 promovendi ingevuld. „Er is groeiende onvrede over dit gebrek”, zegt Rosalie Belder van het Rathenau Instituut.

En dat terwijl die oriëntatie op de arbeidsmarkt hard nodig is. Want voor slechts een klein deel van de gepromoveerden is er plek op de universiteiten. In 1990 promoveerden bijna 1.900 onderzoekers. Vorig jaar waren het er ruim 4.300. Ze kunnen daarna nog wel een tijdje verder als post-doc, maar het aantal daaropvolgende beschikbare posities van universitair docent, universitair hoofddocent en hoogleraar is het afgelopen decennium nauwelijks toegenomen. Die scheefgroei leidt ertoe het dat 70 procent van de gepromoveerden een vervolgbaan buiten de academie moet zoeken. Wat overigens goed lukt, want de werkloosheid onder promovendi is verhoudingsgewijs laag .

Bij de Vereniging van Universiteiten (VSNU) zijn ze verbaasd over de uitkomst van de enquête. Beleidsadviseur Babak Mohammadzadeh zegt dat er sinds een aantal jaren juist aandacht is voor loopbaanbegeleiding. Universiteiten hebben er zogenaamde graduate schools voor opgericht. Promovendi kunnen er onder meer leren een voordracht te geven en met een werkgever te onderhandelen. „Ik heb eerder het idee dat promovendi zelf te weinig bezig zijn met een leven na de wetenschap. Ze gaan er te makkelijk van uit dat ze verder kunnen binnen de universiteit”, zegt Mohammadzadeh.

Tanja Döller herkent dat beeld. Ze coördineert de graduate school voor geesteswetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze zegt dat er zeker belangstelling is voor alle workshops en lezingen die ze organiseert. Promovendi wordt ook al vroeg verteld dat er maar weinigen kunnen doorstromen, en dat de competitie fel is. Verder zitten ze tegenwoordig een keer per jaar aan tafel met de onderzoeksdirecteur om de voortgang te bespreken. „Toch heb ik de indruk dat ze te weinig bezig zijn met hun beroepsperspectieven.”

Hoogleraren werken niet mee

Dat komt ook omdat hoogleraren en promotiebegeleiders er niet voor open staan, zegt Victor de Graaff, voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland en promovendus aan de Technische Universiteit Twente. „Begeleiders reageren vaak boos als je aankaart dat je een carrière buiten de universiteit overweegt. Wetenschap, dat is wat telt. Over een plan B willen ze niet meedenken.”

Ook dat beeld herkent Döller, van de graduate school in Nijmegen. „Niet alle hoogleraren zijn zover een baan in de buitenwereld als gelijkwaardig te zien.” En ze hebben andere belangen, zegt Döller. Ze zijn er verantwoordelijk voor dat er een kwalitatief goed proefschrift komt. En dat er artikelen worden gepubliceerd, liefst in topbladen. Want dat straalt ook op hen af. Daar ligt de nadruk op.

Niet in alle vakgebieden is de focus op een wetenschappelijke carrière even groot, zo laat de enquête zien. De groep die het liefst verder wil binnen de academische muren zijn de promovendi binnen de taal- en cultuurwetenschappen – 75 procent wil door in de wetenschap. Het laagst scoren de promovendi binnen de technische en gezondheidswetenschappen. Daar ziet 40 procent de universiteit als toekomstige werkgever.

Probleem alfawetenschappen

De Graaff ziet in die percentages een bevestiging van zijn idee dat het juist voor promovendi binnen de alfawetenschappen not done is om over een carrière buiten de universiteit te beginnen. „Ik sprak laatst een alfapromovendus waarvan de begeleider had gezegd dat hij niet als referent op zijn cv wilde als hij buiten de wetenschap een baan zou zoeken.”

De Graaff heeft besloten dat hij niet verder wil in de wetenschap. Dat geldt ook voor Iris Korthagen, promovendus aan de Erasmus Universiteit, die stage liep bij de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, een adviesorgaan voor de overheid. Haar stage is inmiddels omgezet in een detachering. Het werk buiten de universiteit heeft haar verrijkt, zegt ze. „Zoals de wetenschap nu werkt, die ratrace, daar wil ik niet aan meedoen. Na een jaar moet je als promovendus al artikelen in de pijplijn hebben. Het gaat ten koste van het denkklimaat. Je neemt niet meer de tijd om naar bijeenkomsten te gaan, om ideeën uit te wisselen.” Haar promotie wil Korthagen nog wel afmaken. Binnen een paar maanden.