De mooie terloopsheid van een jongetje

Halverwege Een vlucht regenwulpen verstopt middelbare scholier Maarten zich op de wc. Zijn klasgenoten en hij worden het schoolplein op gestuurd tijdens de pauze, en daar wil hij niet aan meedoen. Pas als de gangen leeg zijn, komt Maarten tevoorschijn en gaat achter het raam op de eerste verdieping staan. ‘Daar, had ik het beste uitzicht over het plein, kon ik zien wie er wandelden zonder dat ik er zelf hoefde te lopen.’

Het is een eenvoudige zin, waar je zo overheen leest. Maar juist die terloopsheid toont treffend wat voor hoofdpersonage Maarten is: iemand die zich terugtrekt, zonder daar al te veel woorden of gedachten aan te besteden, en observeert. Hij kijkt niet zomaar in de rondte, nee, er is een ‘ze’: Martha, de onbereikbare jeugdliefde, met wie het Maarten ook als ze volwassen zijn niet lukt meer dan enkele woorden uit te wisselen.

De bouwstenen van Een vlucht regenwulpen zijn zo geijkt geworden dat de scepticus in mij dacht: waarom zou ik dit boek lezen? Toch blijkt Een vlucht regenwulpen, nu ik het boek alsnog heb gelezen, zeer goed te werken. Een van de voornaamste troeven van de roman is het aanstekelijk hoge verteltempo. ’t Hart bedient zich van soepel geschreven, meanderende zinnen, die naadloos passen bij de fragmentarische opbouw van het verhaal.

Het is verleidelijk Een vlucht regenwulpen in een halve dag uit te lezen, maar ’t Harts zintuiglijke, indringende taal leent zich er juist voor om rustig geconsumeerd te worden. Hoe meeslepend soms, het verhaal komt het best aan als Maarten ’t Hart in zoomt, zoals op dat jongetje voor het raam, terwijl het schoolplein volstroomt met leerlingen, die allemaal worden bekeken. En geen van allen terugkijken.