De boodschapper wordt slachtoffer

Geven journalisten in de VS niet veel te snel toe aan de druk van de overheid of eigen werkgever om onwelgevallige informatie weg te laten? Een film en een boek bespreken dit dilemma.

Acteur Jeremy Renner speelt Gary Webb in de film Kill the Messenger.

Het maatschappelijke debat over persvrijheid in de Verenigde Staten gaat vaak over de rol van de overheid. Worden journalisten tegengewerkt als zij belangrijke affaires – zeg: misstanden bij de NSA – willen onthullen? Deze weken verplaatst de discussie onder journalisten zich naar de journalistiek zélf. Geeft de pers niet veel te snel toe aan druk van de overheid om onwelgevallige informatie weg te laten of zichzelf te censureren?

Aanleiding voor de discussie over dit emotionele thema zijn de publicatie van het boek Pay Any Price: Greed, Power, and Endless War van James Risen, en de première van de film Kill The Messenger, over de onderzoeksjournalist Gary Webb. Ze kwamen allebei deze maand uit. Boek en film gaan over verschillende affaires, maar Gary Webb en James Risen hebben veel gemeen. Ze publiceerden over uiterst gevoelige CIA-informatie, en werden actief tegengewerkt door hun werkgever, The San Jose Mercury News en The New York Times. Hun zaken roepen ongemakkelijke vragen op. „Hoe goed werken journalistieke codes, en wie dienen en beschermen ze?”, schreef essayist Andrew O’Hehir bijvoorbeeld op de website Salon.

Gary Webb (1955-2004) werkte voor de obscure krant San Jose Mercury News, toen hij in 1996 onthulde dat drugshandelaren uit Nicaragua crack verkochten aan verslaafden in Los Angeles. Het geld dat daarmee verdiend werd, ging naar de contrarebellen, die een door de CIA gesteunde oorlog voerden in Nicaragua. Volgens Webb was de CIA op de hoogte van het drugsgeld. Hij zette zijn drieluik, Dark Alliance, online en publiceerde al het bronmateriaal ook op internet.

Webb werd aanvankelijk geprezen door zijn krant, maar volgens Kill The Messenger kwam al snel een debunk-campagne van de CIA op gang. Webb werd neergezet als labiel. The New York Times, The Washington Post en andere grote kranten begonnen over hém te schrijven, in plaats van zijn onthullingen. Webb won een Pulitzer Prize, maar raakte gefrustreerd door het gebrek aan steun van collega’s. In 2004 werd hij doodgeschoten gevonden, waarschijnlijk door zelfmoord.

Over de vraag of Webb een held is of juist de journalistiek in gevaar bracht, is nog altijd discussie. Onderzoeksjournalist Jeff Leen schreef deze week in The Washington Post dat „deze Hollywood-versie [..] pure fictie is”. Webb handelde volgens hem onzorgvuldig en onethisch. Het succes van Kill The Messenger is alleen geen toeval: het past in de sfeer van maatschappelijk wantrouwen tegen instituties als de overheid en grote mediabedrijven.

James Risen werkt nog altijd voor The New York Times. Hij won een Pulitzer Prize in 2006, voor zijn onthullingen over afluisterprogramma’s van de NSA onder president George W. Bush. Risen had zijn verhaal over de NSA in 2004 al rond, maar zijn werkgever weigerde het te plaatsen. Het was verkiezingstijd, en de onthulling had Bush kunnen schaden. De CIA drong bij de krant aan op uitstel.

In Pay Any Price schrijft Risen dat de CIA sinds 2001 miljarden dollars heeft verspild in de ‘war on terror’. Het boek is goed ontvangen in de Amerikaanse pers, en Risen lijkt, anders dan Webb, volledig gerehabiliteerd. Maar zelf zei hij bij de publicatie van zijn boek dat dat schijn is. Hem hangt nog altijd een gevangenisstraf boven het hoofd, omdat hij weigert zijn bron te onthullen in een strafzaak tegen een oud-CIA-medewerker. Die zou als bron in een eerder boek hebben gediend. De regering-Obama, zegt Risen, verschilt niet van die van Bush.