Cultuuroptimist? In onze tijd is dat gewoon een realist

Een site voor ‘cultuuroptimisten’, zo afficheert zich het hippe platform We are Public. Voor 15 euro per maand word je lid en kun je voor half geld naar 30 evenementen in Amsterdam. De Nationale Opera, Carré, Foam, Eye, Orkater, de Stadsschouwburg, het Concertgebouw: over de deelnemende partijen geen klagen. Over het elan van de optimisten die deze cultuur-‘community’ van de grond tilden evenmin. We are public telt nu zo’n 3000 leden en kreeg deze week zelfs aandacht in The New York Times.

Moet je daar blij mee zijn? Het lastige van veel recente veranderingen in de traditionele podiumkunsten is dat je vaak niet meteen weet wat je ervan moet vinden. Een avond leegstand in (dure en nieuwe) theaters en concertzalen stuit intuïtief tegen de borst, maar als een zaaldirecteur zijn cijfers groen houdt met vijf prachtvoorstellingen en twee avonden niks – is dat dan erg?

De noodzaak nieuwe wegen te vinden naar nieuwe luisteraars en toeschouwers is geen discussiestuk meer, maar een Fact of Life. Toen orkesten nog meeruitverkochte zalen trokken, bestonden er geen dvd-series die óók (en veel laagdrempeliger) een hoogwaardige vrijetijdsbesteding bieden. Series op dvd zijn volgens componist, ‘change agent’ en criticus Greg Sandow zelfs dé Nieuwe Kunst van onze tijd – al is nog niet iedereen geneigd ze als zodanig te omarmen. Maar mopperen op orkesten die met live-filmbegeleidingen (Lord of the Rings, Blue Planet, enz.) nieuw publiek trekken? Dat kan niet meer. Met de winst stellen ze kwetsbaar aanbod veilig. Win-win-win.

We are Public is vooralsnog een marginaal hoofdstedelijk verschijnsel. In theorie kun je vrezen voor méér populariteit onder de cultuurelite met een koopmansneus, die voortaan zijn kaarten voor half geld betrekt en zo de betrokken instellingen dupeert. Maar de mogelijkheid dat zo’n hippe community werkt en een voorgeselecteerd aanbod voor minder geld inderdaad nieuw publiek genereert, is dat gokje wel waard.

En bovendien: het zijn maar verpakkingen. Belangstelling voor goede muziek overleeft altijd – daarover ben ík optimistisch, zeker nu minister Bussemaker pas bekend maakte 25 miljoen voor muziekeducatie beschikbaar te stellen.

Zo’n besluit getuigt behalve van beste bedoelingen voor een nieuwe generatie namelijk ook van breder begrip: dat muziek verrijkt, niet alleen esthetisch, maar ook sociaal en cognitief. Gooi tonen, ritme, kleur en timbre in de hoed van het menselijk vernuft en hopla: je trekt er de vederlichte dansliedjes van Taylor Swift uit én Irakese maqams én de tovenaarskunst van Wagner én de eeuwenoude stemmenweefsels van Josquin. Zoveel tijden, zoveel mensen en stemmen. ‘Cultuuroptimisme’ is dus gewoon het nieuwe realisme. De kunstminnaar van nu is een mazzelaar die kan grazen in vele eeuwen, genres en platforms.