Beklemmend spel met de wetten van tijd en theater

Zelden eerder gedaan in het theater: de tijd terugdraaien. Niet spelen naar het slot, maar telkens opnieuw naar het begin.

In haar nieuwste voorstelling How did I die bereikt regisseur Davy Pieters iets onmogelijks. Een schoolmeisje in een bos vindt de dood. Wurgmoord. Eerst speelt ze die moord met haar eigen handen. Is het zelfmoord? Dan komt een jongen op, dreigend; ze lopen rondjes, vooruit, tot de moord is gepleegd, dan achterwaarts. Het gegeven is duidelijk: de moordenaar keert altijd terug naar de plaats van het delict. Pieters noemt de tekst een scenario, en dat is terecht. Vorm en stijl zijn filmisch, en roepen herinneringen op aan een film met een vergelijkbare thematiek, Blow-Up (1966) van Michelangelo Antonioni.

Drie spelers voeren Pieters’ gegeven perfect uit. De verdacht uitziende jongen (Joey Schrauwen) heeft een stripfiguurachtige mimiek die hem even gevaarlijk als onschuldig maakt. Indra Cauwels is het etherische meisje dat de fatale handen om haar nek voelt. En Klára Alexová praat de verdenking dat zij de moordenares is van zich af in razendsnelle redeneringen. In een cruciale scène voelt de jongen zich door beide meisjes afgewezen. Is het wraak? Jimi Zoet zorgt voor een angstaanjagend geluidsontwerp en in het toneelbeeld van Pieters schuiven beschilderde gordijnen heen en weer, telkens als een nieuwe fase in de moordzaak. En kijk, plots vormen het meisje en de jongen een liefdesstel. Deze voorstelling speelt op beklemmende wijze met de wezenlijkste wetten van het toneel: het is echt en niet-echt tegelijk, het is waar en niet-waar.