Arnon schreef vijf jaar lang verborgen

Arnon Grunberg debuteerde 20 jaar geleden met Blauwe maandagen. Nu blijkt dat hij eigenlijk al vijf eerder was gedebuteerd maar het verborgen hield. In het boek Arnon Grunberg. ‘Ich will doch nur dass ihr mich liebt‘ een overzicht van 25 jaar Grunberg.

Tekening die Grunberg als kind maakte voor zijn moeder. Uit het boek: Arnon Grunberg. ‘Ich will doch nur dass ihr mich liebt‘.

Toen Arnon Grunberg op 22 februari 1971 ter wereld kwam was hij een uitgedroogde baby. Hij zag er daardoor ‘slap en zielig uit, met een slap hangend hoofdje’, schrijft zijn moeder in een fotobiografie, waarmee de gisteren verschenen essaybundel over zijn 25 jaar schrijverschap, Arnon Grunberg. Ich will doch nur dass ihr mich liebt, opent. Wat volgt zijn korte aantekeningen over Grunbergs jeugd tot vlak voor zijn achtste verjaardag. Met dat slap hangende hoofdje kwam het trouwens snel goed, na acht dagen kon hij het al ‘ophouden’. Verder was hij een lastige baby, die veel huilde, weinig sliep, soms lief was, maar even vaak agressief. Tegenwoordig zou je zo’n kindje een huilbaby met ADHD noemen.

Tekenend is dat er vooral ’s avonds veel gehuild wordt, wanneer Arnon in bed ligt. Als hij twee jaar is, schrijft zijn moeder: ‘Slaapt weer miserabel. Het schijnt veel verband te houden met de angst dat mama weg kan gaan, waarmee mama wel eens dreigt als ze niets beters weet.’

Een half jaar later is dat niet anders, zowel wat het huilen als het dreigen betreft. Een jaar later besluit zijn moeder om dan maar een stretcher bij zijn bed te zetten om zelf nog enigszins te kunnen slapen. Want doet ze dat niet dan ‘chanteert hij mama door te zeggen dat hij diep onder de dekens zal kruipen om te stikken als mama niet bij hem op de stretcher wil slapen.’ (Grunberg is dan ruim drieënhalf). Zijn moeder bleef. Niet alleen op die stretcher in die kinderkamer, maar ook in zijn boeken. Net als haar verleden, ze overleefde Auschwitz, en dat van zijn vader (die overleefde WO II door onder te duiken). In de navolgende stukken spelen zijn ouders en Joodse verleden overal een rol. Zo gaat Bob Polak in ‘Leedgenoten’ vooral op het verleden van Grunbergs moeder in, die anders dan zijn oma niet naar de gaskamers wordt geleid.

Rol van de Holocaust

Uitgever Vic van de Reijt heeft het over Grunbergs beginjaren als toneelschrijver en uitgever van ‘niet Arische boeken’, en over zijn eigenlijke debuut, de toneeltekst De dupe van Felix (1989). De rol van de Holocaust en vooral hoe zijn moeder omging met haar trauma’s: ze zijn in feite allemaal terug te vinden in zijn werk, stelt Yra van Dijk in haar essay. De vrouw speelt de centrale rol, ook al zijn de hoofdpersonages eigenlijk altijd een man. Onderwerpen als geloof, moraal, liefde en ouderschap komen in een ander daglicht te staan na de Holocaust. Hoe kan je daarna nog liefhebben? Niet, zo blijkt. Je kan de ander verzorgen, maar zelf de kleinste daad van verzorging loopt altijd uit op mislukking of destructie.

Grunberg zal het met Van Dijks analyse ongetwijfeld eens zijn. Wellicht is hij zelfs blij met haar opmerking dat hij eigenlijk ‘migrantenliteratuur’ schrijft – een op z’n zachtst gezegd vreemde constatering: ze schakelt kosmopolitische romans gelijk aan migrantenliteratuur, terwijl die twee juist niet aan elkaar gelieerd zijn.

Niet echt verrassend, maar toch interessant, is het interview met Grunberg van de Belgische journalist Mark Schaevers. Samen reisden ze naar Beieren waar ze enkele dagen rondtrokken en vooral veel spraken. Het resultaat is een schrijversinterview à la The Paris Review, dat wil zeggen een gesprekssessie van enkele dagen.

De moeder komt ook hierin ter sprake, wanneer ze het over Grunbergs project hebben met zijn moeder (Grunberg noemt zich in het interview enkele malen een machine, wat iets pathetisch heeft).

Hij is weer bij haar gaan wonen om een roman over haar te schrijven die met Moederdag 2015 moet verschijnen. Volgens Grunberg wordt dit het ultieme boek, maar draagt het ook een risico in zich. De relatie is immers niet bepaald standaard. Nadat hij zijn debuutroman Blauwe maandagen had geschreven, waarin de moeder als overlevende van Auschwitz al bordensmijtend om liefde schreeuwt, liet zij hem weten dat hij haar zoon niet meer was. Nog steeds is ze weinig complimenteus tegen hem, zo blijkt uit het gesprek. Toen hij ooit de monoloog De Mensheid zij geprezen door een acteur liet voordragen bij zijn moeder thuis, zei ze alleen maar: ‘Dit is niet zo aan mij besteed’.

Het maakt het moederboek dat hij nu schrijft extra navrant. Tegen Schaevers zegt hij hierover: ‘Het moederboek is ook een moreel project: goed voor mij, goed voor mijn moeder. Het is goed dat ik mij aan iemand heb verbonden. [...] Ik denk dat het goed is voor mijn moeder dat iemand zich aan haar verbonden heeft. Dat ik dat ben, is een prachtige bijkomstigheid. Eigenlijk heb je geen vrouw meer nodig als je een moeder hebt […] De losmaking [van de moeder] die met moeite is gebeurd, doe ik nu [door het moederboek] zelf teniet. Maar voor geen van beiden is er nog een weg terug.’

Literatuur loopt achter

In het interview doet Grunberg nog wel enkele opvallende uitspraken, zoals het voornemen om vanaf 2017 geen voetnoten meer voor de Volkskrant te schrijven, en uitspraken als: ‘Ik vind dat literatuur tegenwoordig heel ver achterloopt bij de werkelijkheid.’ En er is een running gag, waarin Schaevers hem citaten voorlegt en Grunberg elke keer zegt ‘heb ik dat ergens gezegd?’ Waarna Schaevers zegt dat het citaat van Richard Minne of bijvoorbeeld Harry Mulisch is. Een voorbeeld: ‘Als een boek dan helemaal klaar is, neem je er met enige melancholie afscheid van? Precies. Heb ik dat ooit zo gezegd? Nee, ik citeer Harry Mulisch. Ook goed. Ik ben geen Mulisch-hater.’

Dat na het hersenonderzoek op het hoofd van de schrijvende Grunberg bleek dat er nauwelijks emoties waren waar te nemen, is voor de lezer niet verrassend. Als peuter beredeneerde Grunberg alles al, en dat werd er met de jaren niet minder op. Hetzelfde geldt voor de stukken in deze bundel: ze zijn allemaal keurig, gecontroleerd en vriendelijk. Een soort felicitatiebundel als het ware, wat ook logisch is ten tijde van een jubileum. Maar wat kritische kanttekeningen, een korte scheldpartij of wat vraagtekens waren welkom geweest.

Waarom bijvoorbeeld Joost de Vries niet gevraagd, die wat minder enthousiast is over Grunbergs oeuvre? Nu blijf je achter met het gebruikelijke slot van een Dik Trom-avontuur: ‘het is een bijzonder kind. En dat is-ie’.