Column

3 november 1914

Het was dit weekeinde uitzonderlijk goed zomerweer, vond de weerman van het NOS-Journaal. De klimaatverandering kwam alweer ter sprake. Sorry, mag ik even verwijzen naar het weer op Allerzielen, november 1914, precies een eeuw geleden dus?

Een citaat uit die tijd: „Een vreemde Allerzielendag (…). Heel den dag is het een echt zomerweer geweest, veel te mooi feitelijk. De lucht wemelde van klokkengelui, dat haast feestelijk scheen. ’t Is of wij in een verkeerde wereld leefden.”

Dat schreef de Vlaamse dichter-schrijver Karel van de Woestijne (1878 – 1929) in zijn Dagboek van den oorlog. Toen dus ook al fantastisch weer in Brussel, waar hij woonde. Het viel mij toevallig op toen ik zijn dagboek over de Eerste Wereldoorlog (deel 8 van zijn verzameld werk) raadpleegde. Ik wilde weten hoe het hem en België precies een eeuw geleden verging. Daarbij deed ik nóg een verrassende ontdekking: ze lazen in België, toen al ten dele bezet door de Duitsers, enthousiast de…Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarvoor Van de Woestijne van 1906 tot 1929 de Brusselse correspondent was.

„Al onze geestelijke gewoonten mogen terug keeren”, schrijft hij op 3 november 1914. „Weêr krijgen wij, al is het dan ook slechts eens per dag, onze brieven thuis besteld. Wel hebben we nu alle dagen de Nieuwe Rotterdamse Courant, zij het tegen buitensporige prijzen. Ook het Amsterdamsche Algemeene Handelsblad mag nu verkocht.”

Hij constateert dat er veel nieuwe blaadjes in België verschijnen. „En zij worden ook wel veel gelezen. Geen enkele echter zooveel als de N.Rott.Ct. Men staat versteld over de Nederlandsche taalkennis van al die menschen, die vóór den oorlog voor geen geld ter wereld een woord Vlaamsch zouden hebben gesproken of gelezen, en thans zweren bij een Nederlandsch dagblad, dat zij tot in de subtielste taalschakeeringen uitpluizen…”

Ik neem aan dat de Belgen in de NRC meer over de situatie in hun land konden lezen dan in hun eigen gecensureerde kranten. Van de Woestijne had als correspondent ook last van censuur, maar hij wist die vaak handig te omzeilen. Toch staakte hij van oktober 1916 tot juli 1918 zijn medewerking aan de krant, ook omdat het hem steeds meer moeite kostte om aan stof te komen.

Zijn oorlogsdagboek laat zich lezen als een zeer persoonlijk document; het heeft weinig te maken met traditionele correspondentenkopij, het lijken meer columns avant la lettre. Hoewel het taalgebruik soms nogal archaïsch is, maakt Van de Woestijne indruk met zijn waarnemingen. Hij vertelt veel over het dagelijks leven. Ik zal daar de komende tijd meer voorbeelden van geven. Ik sluit af met zijn aantekening op 2 februari 1915.

„Mijn zieke vraagt mij, na een heel kort dutje, dat haar echter wat bloed naar de wangen heeft gevoerd: „Hoe was het toch vóór den oorlog? Weet gij dat nog?’’ Ik denk: „Wat moet gij zwak zijn, om dát niet meer te weten.” Ik zeg sussend: „Ach, waarom daaraan te denken? Slaap liever nog wat!”

„Zij heeft een betrouwenden, armlijk-bleeken glimlach voor mij, en sluit de blauwe schalen van hare oogen. Ik hoor weldra, dat zij weêr slaapt: de ijle slaap der bloedeloozen.

„En dan ga ik mij-zelf afvragen: „Hoe was het inderdaad vóór den oorlog?’’

„En ik schrikte, toen ik mij niet meer herinneren kon, toen ook ik mij in alle werkelijkheid niet meer herinneren kon, hoe het vóór den oorlog was…”