Wil de echte David Bowie opstaan?

In de langverwachte biografie van David Bowie gaat het vooral om drugs en orgiën. Zijn seksuele charisma is de sleutel tot zijn succes, vindt biografe Wendy Leigh. Muziek speelt geen rol.

David Bowie als de biseksuele rock-’n-rollmuzikant Ziggy Stardust Foto Hollandse Hoogte

David Bowie (1947) is op zijn gemak tegenwoordig. Hij heeft net een liedje af, dat 17 november officieel zal verschijnen op een omvattend overzicht van zijn muzikale carrière: Nothing Has Changed. Hij is gelukkig getrouwd, niet meer bezeten, en hij maakt nog muziek. Zijn recentste album The Next Day (2013) mag er zijn, net als dat nieuwe liedje. Hij is zich bovendien bewust van de bagage die hij meetorst: de hoes van The Next Day is een bewerkte versie van die van Heroes, een van zijn beste platen.

Is dit dan de ware David Bowie? Het is in elk geval de zóveelste, er zijn maar weinig popmuzikanten die zoveel maskers hebben gehad als hij. Het eerste was dat van de ultieme Britse entertainer die zich door een verzameling lichte liedjes croont, de duistere laag ervan verbergend achter de stiff upper lip. Het tweede masker was dat van de psychedelische popmuzikant – niet helemaal uniek, maar het leverde in elk geval zijn eerste onverwoestbare klassieker op: Space Oddity (1969).

Toen kregen we enkele jaren een androgyne art-rocker voorgeschoteld. Ach, wat was hij kunstzinnig, uitdagend, dwars, vrouwelijk, de man van Hunky Dory. Wat leek hij in weinig op de David Bowie van een paar jaar daarvoor. En wat wil hij er graag bijhoren, met liedjes over ‘Andy Warhol’ en een Marlène Dietrich-pose.

Geen van deze twee helden moesten veel van Bowie hebben trouwens, dus op naar het volgende masker, dat van de biseksuele rock-’n-rollmuzikant van een andere planeet die bestaat bij de gratie van gezien worden en die dus opvallend moest zijn: Ziggy Stardust (1972).

Het is een succesvol masker – de bijbehorende plaat is geweldig en het succes was al even groot. Dat is voor een deel te danken aan de band, en vooral aan gitarist Mick Ronson, een macho-hardrocker die niet te beroerd is om zijn gitaar min of meer door een in strakke leggings gehulde Bowie te laten pijpen. Hoewel de naam ‘Ziggy’ na die ene plaat niet meer zou terugkeren, heeft Bowie dit masker een paar jaar opgehouden, en zich ook flink ingeleefd in die rol. Veel seks. Veel drugs. Veel decadentie.

En nog meer drugs, vooral cocaïne, in de jaren zeventig de voorkeursdrug van de succesvolle muzikant. Bowie kon er niet zo goed mee omgaan, en koos – misschien half noodgedwongen, maar daarom nog niet minder handig – als volgende masker dat van de junkie die de weg kwijt was.

The Thin White Duke, het klinkt alsof er een heer het heft in handen heeft genomen, maar dat Bowie zijn bewondering voor fascistische vormgeving publiek maakte en bovendien gefotografeerd werd terwijl hij vanuit een open Mercedes een Hitlergroet lijkt te maken, was niet zo handig. (Als je de foto nu bekijkt, moet je toegeven dat zijn verweer – ‘ik zwááide alleen maar!’ – overtuigend is. Maar zo werkt de Britse roddelpers niet.)

Pierrot

Kortom, tijd voor herbezinning en wederopbouw, en waar kon dat beter dan in Berlijn? Als een bedachtzame muzikant die reflecteert op het bestaan en voor het eerst een beetje volwassen lijkt te worden, maakt hij drie platen waarvan twee tot zijn beste behoren: Low en Heroes. Dat was ook te danken aan Brian Eno, voormalig flamboyant art-rocker die steeds meer bezinning in zijn muziek stopte. Je kunt je zelfs afvragen of dit nog wel een masker is en dat maakte het blijkbaar lastig om de volgende stap te bedenken. Bowie gaat acteren, zowel op het witte doek als het toneel, en met wisselend succes. En hij maakt een even goede als commerciële plaat waarin hij terugkijkt op de afgelopen tien jaar, zowel muzikaal – Scary Monsters (and Super Creeps) uit 1980 klinkt als een staalkaart – als tekstueel: Bowie vertelt hoe het is afgelopen met Major Tom uit ‘Space Oddity’ (‘een junkie’). Op de hoes staat Bowie afgebeeld als Pierrot.

Daarna trekt hij een strak pak aan en gaat hij gelikte disco maken, schaamteloos, effectief en alweer niet vrij van ironie: Let’s Dance (1983). Geen schmink, geen verpakking, maar ongrijpbaarder dan ooit: een masker van puur vernis. Nog nooit verkocht hij zoveel platen, nog nooit waren zijn tournees zó succesvol.

Slimme stap

Van enige strategie lijkt daarna geen sprake meer. In de jaren zeventig leek het alsof Bowie de ene slimme stap na de ander zette, maar dat doet hij niet meer in de jaren tachtig en negentig. Hij maakt nog wel een leuke hardrockplaat met een hobbybandje (Tin Machine), en daarna onder eigen naam nog enkele klinische popplaten, als hij er zin in heeft. Het lijkt wel alsof er niks meer is om aan de wereld te laten zien, nu alle maskers zijn afgezet. We kunnen hem er niet naar vragen, want interviews geeft hij niet.

Kortom, als er iemand is over wie ik graag een goeie biografie zou lezen, dan is het wel David Bowie. Maar Bowie van Wendy Leigh is dat boek niet. Ze schrijft over Bowie alsof hij Kim Kardashian of Paris Hilton is: beroemd zonder daarvoor iets gedaan te hebben. Het is een aaneenschakeling van orgies en cocaïne, opgeschreven zoals Nico Dijkshoorn het had kunnen doen – maar dan niet grappig bedoeld: ‘Ik hoorde dat ze seks hadden. Ze deden het gewoon waar ik bij lag. Daar maakte David geen punt van.’

Zijn seksuele charisma is de sleutel tot zijn succes, aldus Leigh, en hij is belangrijk als voorvechter van vrije liefde en een open moraal. Wie weet, maar dat was in de jaren zestig en zeventig een stuk minder uitzonderlijk dan Bowie’s muzikale kwaliteiten. Ze strooit gul met het woordje ‘misschien’, nota bene tot en met de laatste zin en heeft nauwelijks iets interessants weten te achterhalen, vooral omdat ze niks van muziek lijkt af te weten.

‘Dit is mijn Jeff Beck,’ zegt Bowie over Mick Ronson en ik ben eigenlijk wel benieuwd wat hij bedoelt. Was het een verkapte uitnodiging aan Beck? Leigh heeft geen idee. Dat Bowie intensief contact heeft met Glenn Hughes van Deep Purple is ook interessant, omdat hij net zo’n machomuzikant was als Mick Ronson. Soms neigde Bowie toen naar hardrock, heeft dat met die vrienden te maken? Leigh heeft het alleen over de drugs die ze delen.

Als er al iets zinnigs over de muzikant in het boek staat, is het wanneer Leigh iemand citeert. Bowie zelf bijvoorbeeld, zijn bassist Gail Ann Dorsey, of Madonna: ‘Voordat ik David Bowie zag optreden, was ik een doodgewone, disfunctionele, rebelse tiener. Hij heeft mijn leven veranderd.’ Eerlijk is eerlijk: het is niet makkelijk zijn om een goeie biografie te schrijven over zo’n ongrijpbare figuur en het is voor Leigh ook nog niemand anders gelukt. Maar Bowie. De biografie is wel een héél armzalige poging