Vlug en sterk? Ga op rugby!

Hoe weet je welke sport bij jouw lichaam past? NOC*NSF gaat honderden jonge sporters screenen. En hoopt op een olympische parel.

Foto’s Bastiaan Heus

Prikkel eens de verbeelding. Je bent hockeyer maar wordt over acht jaar als baanwielrenner olympisch kampioen sprint. Of, je bent voetballer en wint als roeier een medaille op de Spelen van 2028.

Logisch? Nu niet. Je hebt immers voor de verkeerde sport gekozen. Maar dat kan in de toekomst veranderen.

Ach ja, hoe werkt dat als je jong en onstuimig bent. Dan ga je hockeyen omdat vrienden of broers en zusjes dat ook doen. Of je gaat voetballen, omdat je de toekomstige Arjen Robben wilt worden. Tennis, ook interessant, vooral vanwege de verdiensten. Maar past die sport wel bij je? Je ouders hadden die vraag al vroeg voor je beantwoord.

Maar hoe kom je te weten welke sport bij jouw lichaam hoort? Een genetische test kan uitsluitsel geven. Maar wie stuurt er wangslijm op naar bijvoorbeeld het bedrijf GenePlanet in Slovenië om te horen of je over het sprint-gen ACTN3 of het PPAR alpha-gen voor marathonlopers beschikt? Vrijwel niemand, toch. En al helemaal niet op jeugdige leeftijd. Dat turnkampioen Epke Zonderland een passende sport beoefent, berust vooral op toeval.

Vooralsnog, want de omstandigheden veranderen. Sportkoepel NOC*NSF gaat het juiste lichaam bij de juiste sport zoeken, te beginnen zondag, op onder andere het nationale sportcentrum Papendal, tijdens een landelijke talentdag voor sporters tussen de twaalf en achttien jaar. In het bijzonder voetballers en hockeyers voor wie de top niet haalbaar is zijn uitgenodigd. Misschien loopt op die velden een uitzonderlijke triatleet. Of een excellente volleyballer. Achterliggende drijfveer: de ambitie om tot de tien sterkste sportlanden van de wereld te behoren.

Na de massale screening zondag van 320 geselecteerde jonge sporters – er waren ruim 500 aanmeldingen – voor (beach)volleybal, roeien, baanwielrennen sprint, rugby sevens (vrouwen) en triatlon wordt gehoopt op een tiental per sport dat kan doorgroeien naar topniveau. De stille wens op Papendal is dat ten minste één olympische kampioen uit het project voortkomt.

De sporten die meedoen hebben ‘legostenen’ gemeen: de juiste lengte, de juiste spiervezels, uithoudingsvermogen. In het roeien en het sprinten op de baan is volgens de experts het succes maakbaar. Een roeikampioen? 1.85 m bij de vrouwen en 1.90 m bij de mannen, duurvermogen en sterke spieren. Sprintkampioen op de wielerbaan? Een royale voorraad fast-twitch spiervezels geeft kansen.

Hoe reëel is die zoektocht naar dat olympische pareltje? Zelfstandig prestatiemanager en voormalig volleybalbondscoach Peter Murphy is sceptisch. „Ik vind het een lastige, gevaarlijke exercitie. De moeite waard, daar niet van, maar de heilige graal zullen ze niet vinden. De parameters voor succesvolle sporters zijn er niet, anders waren die al lang bekend.”

Er bestaat geen blauwdruk voor kampioenen, stelt Murphy. Als voorbeeld neemt hij de dressuuramazones Anky van Grunsven en de Duitse Isabell Werth, twee verschillende types. De één (Van Grunsven) fijnmotorisch, de ander (Werth) grofmotorisch. Maar ook taakgerichtheid (Van Grunsven) tegenover improvisatie (Werth). En toch werden beiden olympisch kampioen. Murphy: „Volgens de parameters voor dressuur zou Werth op een testdag zijn weggestuurd. Dat is in mijn ogen de gevaarlijke kant.”

Was het maar zo eenvoudig dat iemand die hard kan lopen en goed kan vangen een toprugbyer wordt. Murphy waarschuwt voor versimpeling van de speurtocht naar talent. „Het is echt geen regel dat een meisje van 1,90 meter een fantastische volleybalster wordt. Hoe kan het dan dat de relatief kleine Japanse volleybalsters bij de topzes van de wereld horen?”

Kanttekeningen ontmoedigen niet bij NOC*NSF, ook al zijn op Papendal weinig parameters gevonden die een kans op succes bieden. Onder regie van de bonden en is samenspraak met gymleraren is gepoogd een begin te maken. Er is een screentest opgesteld voor ‘aan de poort’ voor drie profielen: ‘lang en sterk’, ‘explosief’ en ‘uithoudingsvermogen’.

In ‘lang en sterk’ wordt gekeken naar de biometrie (lengte, benen, gewicht en wendbaarheid) en het vermogen (watt-bike). Bij ‘snel en explosief’ worden sprinttesten van tien en 30 meter afgenomen, plus de watt-bike (maximaal vermogen in vijf seconden). Onder ‘uithoudingsvermogen’ valt: zwemtechniek, een vermogenstest en de shuttle run.

Talenten identificeren zonder een vervolgprogramma is zinloos. De vijf bonden die zondag meedoen garanderen na de NOC*NSF Talentdag een periode van een minimaal half jaar voor talentbevestiging. Het vervolgtraject kan leiden tot doorgroei naar een topsportprogramma, inclusief een aangepaste studie op een Topsport Talent School. De roeibond brengt nieuwe talenten onder bij verenigingen, waarbij zij wel regie hebben over het programma van die sporter. Wat NOC*NSF betreft is dit het begin. Voor een tweede testronde zitten wegwielrennen, boog- en geweerschieten en atletiek in de pijplijn.

Genetische test

Volgens Hidde Haisma, geneticus aan de universiteit Groningen, zullen in de toekomst ook genetische tests bij talentherkenning worden ingezet. Maar dat ligt in de publieke perceptie gevoelig, weet hij. Zoiets wordt snel gerelateerd aan genetische manipulatie. „Ik zie ethisch geen verschil in een fysieke test of het vaststellen van een genetische profiel. Belangrijk is goede voorlichting. Genetische testen hebben overigens alleen voorspellende waarde ten aanzien van aanleg en risico’s. Blessuregevoeligheid en harststilstand hebben ook een genetische component.”

Prima initiatief van NOC*NSF, vindt bewegingswetenschapper Irene Faber, die werkzaam is op de Saxion Hogeschool in het oosten van Nederland. Zij doet promotieonderzoek naar de mogelijkheid bij kinderen voorwaarden en/of voorspellende factoren voor succes in de sport te vinden. Faber is een hartstochtelijk voorstander van toegevoegde testen, zoals die voor hand-oog-coördinatie, maar ook ten aanzien van motivatie. „Wij hebben tafeltennis onderzocht. Daar bleken topspelers een groter werkgeheugen te hebben dan dan de basis, beter informatie te kunnen selecteren en een grotere handelingssnelheid te hebben. Maar tussen de top en de subtop waren de verschillen niet significant. Er zijn dus ook andere factoren die het succes bepalen.”

Resultaten zichtbaar in Rio

Groot-Brittannië is Nederland voorgegaan met testdagen. De focus lag daar op voetballers en rugbyers. Met succes, als de berichten kloppen. Op de Spelen van 2016 in Rio de Janeiro zouden de resultaten zichtbaar moeten zijn. Twee voorbeelden van switches komen uit het voetbal. Alex Jennings, een doelman uit het reserveteam van Orient maakt deel uit van de nationale hockeyselectie en James Hoad, perspectiefloos speler bij Watford, heeft de stap gemaakt naar het bobsleeën.

Ervaringsdeskundige is Nico Rienks, die op persoonlijke titel vrouwen zoekt voor een nieuwe Holland Acht die op de Spelen van Tokio (2020) prijzen kan winnen. Op zijn project zijn intussen 300 vrouwen afgekomen, zoals hockeysters, korfbalsters en volleybalsters. Vijfentwintig zijn er door de eerste selectie gekomen. „Daar zitten echt kanonnen bij. Of respectvoller gezegd: verborgen parels”, zegt de tweevoudige olympisch kampioen, die toe wil naar een groep van twintig roeisters om twee achten te formeren.

In kringen van sportbestuurders leidt Rienks’ initiatief ook tot gefronste wenkbrauwen. Omdat hij de vrouwen voor 2020 (Tokio) een olympische titel in het vooruitzicht stelt. Alsof je onvoorbereid de Mount Everest beklimt. Rienks haalt er zijn schouders over op. „Een olympische ambitie zit echt in het hoofd. Op de middelbare school zei ik al tegen vrienden dat ik aan de Olympische Spelen zou meedoen. Typisch Nederlands om dat niet te mogen benoemen.”

Uit onderzoek naar de relatie tussen beleid en succes is Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling aan de universiteit van Utrecht, gebleken dat in de vijftien grote sportlanden vooral welvaart en bevolkingsomvang het succes bepalen en talentontwikkeling een onderontwikkeld gebied is. Mogelijk dat daarmee het verschil kan worden gemaakt. „Maar een één-op-één-verband is nauwelijks te maken”, waarschuwt hij. „De voorspelbaarheid van succes wordt overschat. De wonderkinderen van toen zijn zelden de kampioenen van vandaag.”

Van Bottenbrug suggereert om de voortreffelijke Nederlandse sportinfrastructuur beter te benutten. „Rondom het tiende levensjaar sport 80 tot 90 procent van de kinderen. We hebben een fysiek gezonde bevolking. Dat geeft ons een voorsprong, maar we zouden op een meer speelse manier de kans op succes kunnen vergroten door kinderen in de fase tussen vier en acht jaar met meer sporten te laten kennismaken. Bijvoorbeeld op school.”