Rusland: Het trauma is nog niet verwerkt

In Rusland is het Sovjetverleden nooit verwerkt. Een muur door Europa willen de meeste Russen niet meer terug. Maar naar hernieuwde macht hunkert de meerderheid wel.

foto getty

De schappen in de mammoetboekwinkels Biblio Globus, pal naast het hoofdkwartier van de geheime dienst FSB, en Dom Knigi, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, illustreren in twee oogwenken de intellectuele stemming in Rusland. De planken staan vol nostalgische en vaak epische boeken over Jozef Stalin (secretaris-generaal tussen 1922 en 1953), Leonid Brezjnev (1964-1982) en Joeri Andropov (1982-1984). Biblio Globus en Dom Knigi bieden weliswaar ook wat kleine stapeltjes monografieën en memoires uit de tijd van Michaïl Gorbatsjov (1985-1991) en Boris Jeltsin (president Rusland 1991-1999), maar Jeltsin wordt minder serieus genomen. En in de boeken over Gorbatsjov is de laatste politieke leider van de Sovjet-Unie steevast de ‘verrader’ of de man die Rusland heeft uitgeleverd aan het Westen.

De wrok jegens Gorbatsjov is groot. Hele volksstammen schuiven hem alle gevolgen van de val van de Berlijnse Muur in 1989 in de schoenen, ook als de feiten dat weerspreken. Zo denken talrijke bejaarden dat de hyperinflatie van tweeduizend procent in 1992 het werk was van Gorbatsjov, en niet van Jeltsin en diens premier Jegor Gaidar die de geldontwaarding toen toch echt hebben ontketend. De mythevorming geeft niettemin aan dat het einde van de Europese deling in 1989 een kwart eeuw na dato nog steeds traumatische effecten heeft.

De ‘grootste geopolitieke catastrofe van de twintigste eeuw’, zoals president Vladimir Poetin de onttakeling van de Sovjet-Unie noemt, begon in het jaar dat de Berlijnse Muur viel. Terwijl Sovjetleider Gorbatsjov de laatste Sovjettroepen uit Afghanistan liet vertrekken, brak de ban ook elders in het Sovjetblok. In drie jaar veranderde de wereld van de gemiddelde Rus. Was de doorsnee burger in 1989 nog de trotse bewoner van een imperiale en nucleaire supermacht, in de winter van 1992 was dezelfde Rus aan het woekeren met zichzelf.

Die teloorgang had zich in 1989 in een hoog tempo aangediend. Alles kwam in dat jaar samen. Negen dagen voor de afmars uit Afghanistan van de brigadegeneraal Boris Gromov, op 15 februari 1989, waren in Warschau de ‘rondetafelbesprekingen’ tussen de regerende Poolse communistische partij en vakbond Solidariteit begonnen. Vier maanden na Afghanistan verloor Moskou Polen. Niet door revolutie, maar door deels vrije verkiezingen die uitdraaiden op een smadelijke nederlaag voor de macht.

Daarna volgde de rest van het ‘socialistische kamp’. Negen maanden na de afmars uit Kabul werd in Berlijn de Muur overlopen. Dertien maanden na de ontruiming van Afghanistan liet de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU) haar grondwettelijke machtsmonopolie varen. En exact twee jaar na de flitsexecutie van de groteske Roemeense leider Nicolae Ceausescu op 25 december 1989 liet Michail Gorbatsjov met een waardige televisietoespraak ook de Sovjet-Unie als staatkundig imperium ter ziele gaan. Op het Kremlin werd de rode Sovjetvlag gestreken en de Russische driekleur gehesen. In het Westen was het Kerstmis. In Moskou deden Jeltsin en zijn mannen zich tegoed aan de in Gorbatsjovs kantoor achtergebleven Franse cognac.

Sindsdien is er in Rusland een soort dolkstootlegende gaan woekeren over een complot tegen de ‘grootse grootmacht’ Rusland. De kern ervan is: er is Rusland onrecht aangedaan en Rusland zelf stond daarbuiten.

Ten eerste koestert de gemiddelde oudere Rus nog altijd de mythe dat de satellietstaten veel te danken hebben aan Rusland, maar omgekeerd niet. De Russen hebben alleen geleden onder het communisme. Het clichéargument om dit te illustreren is het verhaal dat de Georgiërs altijd goed te eten hadden en de Balten over keurige ijskasten beschikten, terwijl de Moskovieten moeite moesten doen voor een verse tomaat. De omgekeerde redenering – namelijk dat Rusland zijn rijke oliebronnen en andere delfstoffen nu voor zichzelf kan exploiteren en dus niet meer hoeft te delen – is geen gemeengoed. Rusland wil zichzelf slachtoffer blijven voelen.

Ten tweede is er het verhaal dat de Verenigde Staten een kwart eeuw geleden aan Moskou zouden hebben beloofd dat de NAVO niet in oostelijke richting zou uitbreiden, een belofte die in 1999 respectievelijk 2004 is geschonden en nu weer zou worden ondermijnd als Georgië, Moldavië en Oekraïne hun banden met de alliantie aanhalen.

De kennelijke belofte leidt een hardnekkig bestaan, maar echte toezeggingen zijn er feitelijk nooit gedaan. Volgens een recent bronnenonderzoek voor het Amerikaanse vakblad Foreign Affairs wilde Hans-Dietrich Genscher, de toenmalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken, in 1990 weliswaar zover gaan de Duitse hereniging veilig te stellen. Maar na een moment van aarzeling wist zijn Amerikaanse ambtgenoot James Baker de Sovjetleiding zover te krijgen dat ze het NAVO-lidmaatschap van het verenigde Duitsland accepteerde in ruil voor miljardensteun, zonder dat er westerse concessies waren gedaan. Dit soort nuances zijn parels voor de zwijnen. Het idee dat er een complot tegen Rusland gaande was, bevestigt het meest uitgestrekte land ter wereld in zijn zelfbeeld van omsingeling.

Ten derde hangen veel Russen het concept aan dat Rusland de belangrijkste politiek-culturele tegenpool is, en moet zijn, van het Westen. Vergeten is dat de hervormingen van Gorbatsjov (perestrojka en glasnost) een Europees programma waren om de natie te moderniseren – de toenmalige leider zag er geen heil in om volgens het Aziatische model de omgekeerde weg te bewandelen. Deze keuze voor de Europese en tegen de Aziatische vleugel – het klassieke dilemma in de Russische geschiedenis – werd een kwart eeuw geleden expliciet aan de orde gesteld. Die tweesprong werd toen vertolkt in de (documentaire) films van Nikita Michalkov (Vermoeid door de Zon, over Stalin) en Stanislav Govoroechin (Zo kun je niet leven, over het dagelijks leven na Brezjnev).

Beide cineasten hebben zich afgelopen decennia ontpopt tot nieuwe patriotten en zijn nu de culturele paladijnen van de diametraal omgekeerde politieke koers van Poetin. Het Kremlin heeft zich nadrukkelijk afgewend van het ‘Europese Huis’, zoals Gorbatsjov zijn toekomstideaal indertijd noemde, en tamboereert op het vermeende feit dat Rusland een ‘unieke civilisatie’ is die door die uniciteit ook een eigen missie heeft. Moskou moet weer het ‘derde Rome’ zijn: het enige juiste alternatief voor Oost én West.

Waarom zijn deze mythes zo hardnekkig? Dat komt door de manier waarop Rusland op zijn eigen geschiedenis heeft teruggekeken. De historiografie is er afgelopen decennia allengs meer gepolitiseerd.

De reden is simpel. De periode van historiserende herijking eindjaren tachtig, beginjaren negentig is niet gevolgd door een breed maatschappelijk debat over de eigen geschiedenis. Rusland heeft nimmer een Historikerstreit over Stalin gehad, zoals Duitsland die over het nazisme op zijn heftigst tussen 1986 en 1988 beleefde.

De gevolgen zijn groot. In Rusland is het imperiale én stalinistische verleden eigenlijk niet ‘verwerkt’ en daarom ook niet ‘historisch’ geworden. Stalin is als oorlogsleider tussen 1941 en 1944 zelfs op een nog hoger voetstuk gekomen dan voorheen. En het stalinisme is in het geschiedenisonderwijs een hachelijk thema gebleven. Aan de jaren dertig, die miljoenen slachtoffers eisten, branden de auteurs van de schoolboeken hun vingers niet. Poetin heeft de laatste jaren bovendien de neiging om de kijk op het verleden te monopoliseren. Het Kremlin trekt steeds meer geschiedschrijving naar zich toe. Een officiële staatsversie van het verleden is een kwestie van tijd.

Eén van de gevolgen van deze non-verwerking is dat Rusland afgelopen kwart eeuw niet is toegekomen aan een vorm van dekolonisering. En dat doet zich voelen. De Sovjet-Unie was niet alleen een socialistische staat, ze was eveneens een voortzetting van het Russische Imperium, zij het onder een andere naam. Toen de Sovjetmacht in 1989/91 ineenzeeg, viel daarom ook het Russische Rijk uiteen.

Maar dat koloniale idee is eigenlijk nooit openlijk opgegeven of afgerond. Er is geen consensus dat het Rusland van de 21ste eeuw zich niet één op één moet willen spiegelen aan het Rusland van de 19de eeuw. Het hedendaagse Rusland is doordesemd van nostalgie naar de macht van weleer.

Deze introverte reflectie op de nadagen van het IJzeren Gordijn is sterker gebleken dan kennis over de val van de Muur zelf. Bij sociologisch onderzoek vijf jaar geleden bleek dat nog geen kwart van de Russen wist dat het de Sovjet-Unie en de DDR waren geweest die in 1961 de Muur hadden opgetrokken als bescherming tegen westerse invloeden. Krap 60 procent had geen flauw idee wie de Muur had gebouwd en waarom. Gevraagd naar de belangrijkste gebeurtenis in 1989 noemde de helft de aftocht uit Afghanistan. Bijna een kwart dacht bij 1989 primair aan de eerste mijnwerkersstaking uit de Sovjetgeschiedenis, amper minder dan het aantal Russen dat de Muur hét historische feit van 1989 vond.

Twee jaar geleden vroeg het befaamde peilbureau Levada Centrum naar de ondergang van de Sovjet-Unie. Ongeveer de helft van de burgers, onder wie de 38 miljoen Russen die ná de val van de Muur zijn geboren, betreurt het einde van de Sovjet-Unie nog altijd en denkt dat het had kunnen worden voorkomen.

Een muur door Europa willen de meeste Russen ook nu niet terug. Maar naar hernieuwde macht hunkert de meerderheid wel. Bij gebrek aan historische reflectie is die meerderheid onvoldoende te biecht gegaan bij de psychiater van de geschiedenis.

Revanchisme is zo nu het politieke parool geworden. En revanchisten komen rijkelijk aan hun trekken bij de boekenplanken in Dom Knigi en Biblio Globus.