Rechters leren alleen van elkaar als ze dat willen

Hebben we goede rechtspraak in dit land? Deze week kwam het rapport uit van de externe visitatiecommissie Rechtspraak. Dat heb ik twee keer gelezen; of eigenlijk drie keer, want de eenvoudigste vragen zijn altijd het moeilijkst. De stijl en toon waren alvast hetzelfde als die uit 2006 en 2010. Vriendelijk en constructief. Ongeveer zoals je opgroeiende kinderen toespreekt – toe maar jongens, we love and admire you maar doe het voortaan nou een beetje anders. En wees en daarin wat strenger voor jezelf.

De rapporteurs weten dat de rechtspraak alleen verandert als de rechters dat zelf willen. Want eigenlijk zijn rechters onbestuurbaar. Functioneel en staatsrechtelijk is dat overigens ook de bedoeling. Rechters zijn (onvermijdelijk) aangesteld voor het hele beroepsleven, kunnen exact één rang omhoog (naar senior) en zijn verder niemand verantwoording verschuldigd. Als ze een beetje redelijk meedoen en privé nooit ontsporen, is een rechter forever een kleine intellectuele zelfstandige met een prachtberoep en een goed salaris. Het enige wat ze kan hinderen is de organisatie. Of gedoe thuis.

Ooit vroeg ik een rechtbankpresident of hij rechters die bijzondere prestaties leveren (megaproces, inspringen elders etc.) met extra vrije dagen kon belonen, een bonus of toeslag. Nee, zei hij. Hij kon helemaal niks. Dank je wel zeggen, dat was het zo’n beetje. Dat gold ook bij (middel)matig presteren: aan- en toespreken. Dat was het.

Rechters zijn dus managementproof: het enige dat vat op ze heeft, is de productie die de rechtbank (niet eens zijzelf) geacht wordt te draaien. De rechtbank is voor 95 procent financieel afhankelijk van de omzet in zaken. Ergens in dat vrije leven tikt er dus zoiets ordinairs uit de prestatiemaatschappij mee, als een taximeter of stappenteller. Bij de rechtspraak heet dat doorlooptijd en zaaksvoorraad. Iedere rechter begrijpt dat die niet uit de hand mogen lopen. Maar de kwaliteit van het werk is heilig – die mag nooit onder de productieplicht lijden. In de rechtspraak is dat de olifant in de kamer. Kwaliteit en onafhankelijkheid zijn alibibegrippen. Schuilplaatsen voor rechters die hun autonomie en kwaliteitsopvatting gebruiken alsof ze in Startrek meedoen. Een schild waarop alles afketst. Alleen de rechter zelf weet wat kwaliteit is, luidt de aanname, en die is immers volkomen vrij. Als je zó het visitatierapport leest, wordt het best wel aardig. Hoe zit het met loyaliteit versus eigenwijsheid? Met professionele vrijheid versus omzetdoelen? Met interne kwaliteitscontrole versus collegialiteit? Ze hebben daar een stevig probleem.

Wat vooral opvalt is dat het meelezen van elkaars uitspraken en het vaststellen van kwaliteitsnormen niet op orde zijn. Leren van elkaar, van rechters op dezelfde gang, van teams elders in het gebouw of in andere gerechten – het is zwak tot helemaal niet ontwikkeld. Het gros zit in zijn eigen schuttersputje.

De belangstelling van rechters voor professionele standaarden „lijkt beperkt”. Echt, het staat er. Dat zou je in een ziekenhuis toch niet willen, bij dokters die aan je zitten. Maar rechters richten zich liefst op hun eigen werk en houden vast aan hun eigen werkwijze. Aan het nut van brede kwaliteitsnormen wordt getwijfeld. Rechters trekken zich terug in de eigen geleding, met als gevolg dat er overal sprake is van „eilandvorming”. Een kleine groep verzet zich zelfs actief door zich buiten het eigen werk nergens aan te committeren - niet aan de sectie, het eigen gerecht of de rechtspraak landelijk. Zij zijn „wars van afstemming of verder gaande samenwerking”. Dit is een kleine groep, die ook kleiner wordt. Maar wel een die bestaat uit spraakmakende, ervaren rechters met intern groot gezag. De teamvoorzitters kunnen niet tegen ze op, net zo min als de gerechtsbesturen.

Verder is een „open feedbackcultuur niet overal in ruime mate aanwezig”. Een understatement lijkt me dat, in het wild betrapt. Onderlinge evaluaties van vonnissen gaan vaak langs de „ik ben oké, jij bent oké” lijn. Elkaar op gemaakte fouten aanspreken is ‘niet gebruikelijk’. Opmerkingen maken over gedrag of werkhouding van een andere rechter is ‘nog lastiger’. Leidinggevenden laten bij functioneringsgesprekken „geheide kansen liggen”. Laten we het erop houden dat er nog genoeg ruimte voor verbetering is – in het eilandenrijk dat rechtspraak heet.