Materialisten zijn ongelukkige mensen

Mensen die hechten aan bezit en status, weten hun basale behoeften minder te bevredigen. Zoals contact met andere mensen.

Mensen die het belangrijk vinden om veel geld te hebben en veel materiële bezittingen die status uitstralen, zijn minder gelukkig dan mensen die dat niet zo belangrijk vinden.

Dat komt uit een grote meta-analyse van onderzoek naar de relatie tussen een materialistische levenshouding en levensgeluk (Journal of Personality and Social Psychology, november). Dat betekent nog niet dat het materialisme de oorzaak is van het ongeluk. Daar is langlopend onderzoek voor nodig en dat is er vrijwel niet. Maar naarmate mensen materialistischer zijn, weten ze in elk geval hun basale behoeften aan autonomie, contact met andere mensen en ‘ergens goed in zijn’ niet zo goed te bevredigen.

Drie Britse psychologen en een Amerikaan verzamelden alle gepubliceerde en ongepubliceerde onderzoeken over materialisme en geluk die ze konden vinden: 151 verslagen van onderzoek met overwegend volwassen blanke proefpersonen. Bijna een derde van de onderzoeksverslagen was niet in een peer reviewed tijdschrift gepubliceerd (dan ging het om proefschriften, congresverslagen en verstofte manuscripten en datasets). Dat bleek niet uit te maken: in die ongepubliceerde studies was het verband tussen materialisme en levensgeluk even negatief.

Het was nooit zo dat mensen gelukkiger waren naarmate ze meer waarde aan geld en spullen hechtten. Oftewel: ook met een beetje materialisme zijn mensen al ongelukkiger.

Wel was het negatieve verband soms sterker en soms zwakker. Naarmate een groter deel van de proefpersonen in een ‘materialistische omgeving’ werkte of studeerde (marketing, bedrijfsleven, economie) was het verband zwakker, waarschijnlijk omdat een materialistische levenshouding daar relatief normaal is. Naarmate er meer mannen in de steekproef zaten, was het verband ook zwakker, misschien doordat materialisme voor mannen, als traditionele kostwinners, meer geaccepteerd is, schrijven de onderzoekers.

Het verband was sterker in landen waarin mensen het belangrijk vinden om een leuk, spannend leven te leiden, en in landen met weinig economische groei waar de verschillen tussen de inkomens niet erg groot zijn. Hoeveel iemand verdient, maakte niet uit (al zaten er vast geen multimiljonairs of daklozen in de steekproeven).

De psychologen vonden het onder meer belangrijk om deze meta-analyse te doen, omdat er onderzoek is dat aantoont dat jongeren steeds meer waarde aan geld en spullen hechten. Ze vinden het tijd dat er beleid wordt ontwikkeld om deze ontwikkeling tegen te gaan.