Louche advocaat, is dat niet bijna een tautologie?

Juristen vinden de veroordeling van cartoonist Ruben L. Oppenheimer in strijd met het Europees recht.

„Het eerste woord dat in mij opkwam: bespottelijk”, zegt media-advocaat Christien Wildeman. Net als andere juristen reageert zij verbaasd op de veroordeling gisteren in Maastricht van de cartoonist Ruben L. Oppenheimer. Zij noemen dit in strijd met het Europees recht.

Strafpleiter Theo Hiddema had een kort geding aangespannen tegen de cartoonist omdat deze hem in een spotprent een „louche advocaat” had genoemd. De cartoonist en A en C Media, uitgever van het huis-aan-huisblad De Ster waarin de cartoon stond, zijn veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie. Oppenheimer gaat in hoger beroep.

Juristen wijzen op uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat in verschillende zaken de grote vrijheid van cartoonisten en andere satirici heeft onderstreept. Het Hof hanteert als regel: vrijheid van meningsuiting betreft niet alleen ideeën die gangbaar of onschuldig zijn, maar ook die „choqueren, beledigen en verstoren”.

Wouter Hins, hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden: „Ik vind de conclusie van de rechter niet goed.” Hins vindt ‘louche’ geen ernstige belediging en vindt dat Hiddema als publiek en controversieel figuur van de rechter onnodig veel bescherming krijgt. „Als het een volstrekt onschuldige persoon betrof, die zich niet kan verdedigen, dan zou het een ander geval zijn.”

Wildeman, specialist in mediarecht maar niet bij de zaak betrokken, noemt ‘louche advocaat’ „bijna een tautologie”. „In de VS worden advocaten altijd als louche afgebeeld. Een collega van mij heeft een mok met de grap: Trust me, I’m a lawyer.

Zij verbaast zich erover dat Nederlandse voorzieningenrechters zich in dit soort uitspraken weinig gelegen laten aan de uitspraken van het Europese Hof. „Je komt als advocaat al snel met hoogdravende pleidooien en grote woorden als ‘democratie’, ‘artistieke vrijheid’ en ‘mensenrechten’. In de hoofden van de rechters laat zich dat kennelijk moeilijk rijmen met iets lichts en grappigs als een cartoon. Terwijl juist de vrijheid de spot te kunnen drijven van wezenlijk belang is voor een democratische rechtsstaat.”