Kritisch over de slavernij? Kalifaat is juist trots

Ze propageren de slavernij en beroepen zich daarbij op de Koran. Voor volgelingen van IS staat de ongelijkwaardigheid van mensen vast. Leo Kwarten over de opkomst van een verontrustende trend.

Begin oktober maakte Islamitische Staat (IS) trots bekend de traditie van slavernij in ere te hebben hersteld. In de vierde editie van Dabiq, het glossy Engelstalige magazine van IS, schrijft een woordvoerder dat de terreurbeweging dit vergeten aspect van de islamitische wet (sharia) zijn oorspronkelijke betekenis heeft teruggegeven.

In augustus had IS al de daad bij het woord gevoegd, na de val van de stad Sinjar in Noord-Irak, waarbij tweeduizend yezidische vrouwen en kinderen als slaven werden afgevoerd. Eerder hadden IS-strijders hun echtgenoten en vaders voor hun ogen vermoord.

De leiders van het kalifaat waren niet over een nacht ijs gegaan. Zo hadden wetsgeleerden voorafgaande aan de aanval op Sinjar opdracht gekregen te bepalen of yezidi’s ongelovigen waren of afvalligen, aldus Dabiq. Ongelovigen, luidde hun oordeel. „Aldus behandelde IS deze groep zoals de geleerden voorschreven”, staat in het tijdschrift. „In tegenstelling tot christenen en joden kwamen ze niet in aanmerking voor het betalen van afkoopbelasting. Ook mochten hun vrouwen tot slaaf worden gemaakt, in tegenstelling tot afvallige vrouwen die slechts kunnen kiezen tussen inkeer of het zwaard.”

Deze religieuze rechtvaardiging klinkt bloedstollend ontnuchterend – zeker als we bedenken dat IS-strijders de getraumatiseerde vrouwen afvoerden in trucks, waarna ze werden opgesloten, verkracht en verhandeld voor prijzen tussen de tien en honderdvijftig dollar.

Hoe gemakkelijk zou het zijn om de misdaden van IS af te doen als excessen zoals die zich nu eenmaal voordoen in oorlogstijd – de verkrachtingsorgie tijdens de Congolese burgeroorlog of waterboarding door de Amerikanen in Guantanamo – ware het niet dat IS zich beroept op de Koran, de woorden en handelwijze van de Profeet en de sharia.

Voor moslims die hebben besloten te leven naar de letter van Gods woord en in de traditie van Zijn Boodschapper, liggen de richtlijnen met betrekking tot slavernij voor het oprapen. Mohammed bezat, verkreeg en verhandelde slaven.

Dat was niets bijzonders in het Arabië van de zevende eeuw. In de Koran wordt opvallend vaak melding gemaakt van slaven, aangeduid als „wat de rechterhanden bezitten”. Zo verbiedt de Koran in soera 4:24 buitenechtelijk seks met „in eerbaarheid welbewaarde vrouwen”, ofwel gehuwde vrouwen, maar geldt deze restrictie niet voor seks met slavinnen.

Het lot dat de vrouwen van Sinjar toeviel, heeft zijn equivalent in de manier waarop Mohammed in het jaar 627 AD afrekende met de joodse Bani Qurayza-stam in Medina. Nadat vierhonderd mannen waren onthoofd, werden hun vrouwen en kinderen afgevoerd als slaven. Als IS bij monde van Dabiq stelt dat eenvijfde van de slaven van Sinjar toekwam aan IS, terwijl de rest van de buit werd verdeeld over de strijders, dan heeft dit een solide theologische basis in de islam.

Dat geldt ook voor het in het artikel vermelde verbod dat een slavin niet van haar jonge kinderen mag worden gescheiden. Waarlijk, God is genadig.

Moderne moslims zullen zeggen: negeer toch die slavernijteksten in de Koran. Richt je op de goddelijke boodschap voor zover die van toepassing is op het leven anno 2014. Gelovige christenen kunnen toch ook geen kant op met Exodus 21:20-21: „Wanneer iemand zijn dienstknecht of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden. Zo hij nochtans een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld.”

In vergelijking daarmee was Mohammed een verlicht denker.

Het probleem is echter dat de Koran, in tegenstelling tot de Bijbel, het letterlijke woord van God is. En dat een groeiende groep soennitische moslims weigert te marchanderen met wat zij beschouwen als de pure islam, zoals de eerste drie generaties moslims die beleden.

Deze salafisten zijn er in alle soorten en maten – van vreedzame Bijlmer-jallaba’s en welbespraakte Egyptische politici tot verhitte googlesjeiks en jihadisten. Onderling verketteren ze elkaar naar aanleiding van theologisch haarkloverij, maar over één ding zijn ze het eens: Gods woord dient letterlijk te worden genomen. Het is alles of niets.

Deze groeiende groep salafisten overschreeuwt en intimideert al tientallen jaren de zwijgende meerderheid van de moslims. Wie oppert dat het tijd wordt een deel van de Koran te beschouwen als irrelevant voor de 21e eeuw, is een ketter.

Een goed voorbeeld is de moedige Soedanese geleerde Mahmoud Mohammed Taha. In de jaren tachtig stelde hij voor de sharia in Soedan af te schaffen, omdat deze onrecht zou doen aan de gematigde teksten in de Koran die gelijkheid van geloof en sekse bepleiten. Daarop liet de toenmalige dictator Nimeiri de 76-jarige ophangen wegens het afvallen van het geloof.

Aldus is de Arabische wereld niet in staat kritisch te kijken naar zijn eigen slavernijverleden. Slavernij wordt immers gerechtvaardigd door de islam. De Soedische sjeik Saleh al-Fawzan stelde in 2003 zelfs voor de slavernij opnieuw in te voeren. „Slavernij maakt deel uit van de islam”, stelde hij.

Moslims die beweerden dat de slavernij is afgeschaft, waren niet alleen onwetend maar ook ongelovig. Al-Fawzan is geen querulant. Hij heeft zitting in de machtige Saoedische Raad van Hoge Geestelijken. Zijn leerboeken zijn verplichte kost voor studenten. Zijn twitteraccount heeft 112.000 volgelingen.

Gebrek aan zelfreflectie heeft ertoe geleid dat slavernij in de islamitische wereld is blijven voortwoekeren. De Global Slavery Index (GSI) wordt sinds jaar en dag aangevoerd door Mauretanië, lidstaat van de Arabische Liga. Het land telt tussen 140.000 en 160.000 slaven. Zij en hun nageslacht zijn volledig eigendom van hun moslimmeesters. Ze kunnen worden verhandeld, verhuurd en geschonken. Volgens GSI houdt de islam deze situatie mede in stand: „Verstoken van onderwijs en bestaansalternatieven, geloven velen dat het Gods wil is dat ze slaven zijn.”

In een andere lidstaat van de Arabische Liga, Soedan, werden tijdens de tweede burgeroorlog (1983-2005) tienduizenden slaven buitgemaakt. De situatie verergerde nadat in 1989 in Khartoum een islamistisch bewind aan de macht kwam dat de oorlog tegen het christelijke en animistische zuiden definieerde als een jihad. Arabische milities, die werden bevoorraad door de nieuwe machthebbers, waren de grootste boosdoeners.

De Soedanese antropololoog Jok Madut Jok schreef in War and Slavery in Sudan: „De Arabische slavenjagers kiezen hun slachtoffers op basis van ras, etniciteit en godsdienst en beschouwen de zwarten uit het zuiden als inferieure ongelovigen.”

In vele Arabische landen is de slavernij officieel pas laat afgeschaft: Qatar (1958), Saoedi-Arabië en Jemen (1962), VAE (1964), Oman (1970). Toch blijft het onderwerp onbespreekbaar.

Het mea culpa van westerse landen die zich schuldig hebben gemaakt aan slavenhandel, het oprichten van slavernijmonumenten of, vooruit, de discussie rond Zwarte Piet in Nederland – het is ondenkbaar in de Arabische wereld. Je kunt zelfs stellen dat de abominabele positie van Aziatische werknemers in de Golfstaten een echo is van een fenomeen dat nooit geheel is verdwenen.

IS doorbreekt nu die stilte rond slavernij in de islam. Sterker, ze schreeuwen het van de daken. Je inlaten met slavernij doet geen afbreuk aan je identiteit als moslim, maar versterkt die juist.

Het doet me denken aan de woorden van sjeik Omar Bakri, een in Libanon verblijvende jihadist die ik al jaren ken. „Negentig procent van de moslims zijn chocolademoslims”, zegt hij altijd.

„Dat zijn moslims die heel lief zeggen dat islam vrede betekent. Wat een flauwekul. Er is pas vrede als iedere ongelovige bekeerd of gedood is. Maar slechts een kleine voorhoede van moslims is het gegeven deze goddelijke opdracht uit te voeren.”

IS beschouwt zichzelf als die voorhoede.

Apologeten beweren wel dat de islam verbetering in de positie van slaven heeft gebracht. Daar valt iets voor de zeggen. Hun rechten en plichten werden tenminste vastgelegd in de sharia.

Het probleem is echter dat daarmee ook de ongelijkwaardigheid van mensen al 1400 jaar onwrikbaar verankerd ligt in goddelijke teksten. Wie stelt dat de slavenjagers van IS zich inlaten met een middeleeuwse praktijk of dat hun modus operandi niets te maken heeft met islam, negeert deze realiteit.

IS opereert niet in een vacuüm. Ze zijn de moderne slaven van Gods tijdloze woord.