Kan de olieprijs nog verder zakken?

De olieprijs blijft maar zakken. De lage prijs brengt de winst van oliebedrijven in gevaar, maar het zorgt ook voor groei van de wereldeconomie.

Even aarzelde de olieprijs deze week. De waarde van een vat ruwe olie uit de Noordzee, de zogeheten Brent die als maatstaf geldt in de oliehandel, bewoog langzaam omhoog. Was de 83 dollar (66 euro) van midden oktober het dieptepunt geweest en zette het herstel in, zoals verschillende analisten verwachtten? Een paar dagen lang jojode de prijs rond de 87 dollar.

Maar op de laatste dag van de maand zakte de olieprijs toch weer weg. De bodem is kennelijk nog niet bereikt. In totaal heeft de prijs van een vat olie dit jaar een kleine 25 procent van zijn waarde verloren. En dat heeft grote consequenties voor landen die hun geld verdienen met de export van olie, zoals Saudi-Arabië, Rusland en Venezuela. Maar natuurlijk ook voor de bedrijven die direct of indirect betrokken zijn bij de productie van olie.

De val van de Nederlandse bodemonderzoeker Fugro was deze week zonder meer spectaculair. Het bedrijf kampt al jaren met bestuurlijke en structurele problemen, maar na de zoveelste winstwaarschuwing zakte het aandeel tot onder de 11 euro weg.

Woensdag waarschuwde bestuursvoorzitter Paul van Riel de investeerders dat Fugro dit jaar mogelijk geen dividend zal betalen vanwege de „slechte markt”. Voor Fugro betekent de lage olieprijs dat er minder opdrachten komen van de grote oliemaatschappijen om de ondergrond van mogelijke projecten in kaart te brengen. Bestaande projecten worden soms afgeblazen omdat ze niet meer lonen. De lage olieprijs weegt extra zwaar voor het kwetsbare bedrijf dat sinds het begin van dit jaar 64 procent van zijn waarde heeft verloren.

Oliemaatschappijen

Met uitzondering van Shell en ExxonMobil, hebben alle oliemaatschappijen die deze week kwartaalcijfers bekendmaakten, een daling van de winst gemeld. Unaniem verwezen ook zij naar de lagere olieprijs.

Zo meldde het Noorse Statoil voor het eerst sinds 2001 een regelrecht verlies. Het afgelopen kwartaal verloor het Noorse bedrijf 573 miljoen euro. Overigens niet alleen door de lage olieprijs. Het bedrijf had ook een forse afboeking gedaan op een teerzandproject in Canada.

Andere maatschappijen bleven weliswaar in het groen, maar zagen hun winsten wel afnemen. De winst van BP was in het derde kwartaal 20 procent lager dan het jaar ervoor. Het Franse Total zakte 6 procent weg, het Italiaanse ENI bijna 12 procent.

De reden dat Shell (24 procent) en ExxonMobil (3 procent) de winst ondanks de ongunstige markt juist zagen toenemen, is dat ze scherp hebben gesneden in de kosten. Opvallend is dat ze daarmee de raffinage die de afgelopen jaren tegenvallende resultaten bracht, weer winstgevend hebben weten te krijgen.

Maar de trend om flink te snijden in de uitgaven en de kosten zoveel mogelijk te beperken, heeft volgens sommige analisten ook een keerzijde: investeringen zijn nodig om ervoor te zorgen dat het bedrijf ook in de verdere toekomst voldoende olie kan produceren en dividend kan uitbetalen aan zijn aandeelhouders.

De gevolgen van de sancties die Europa en de Verenigde Staten hebben getroffen tegen Rusland na de annexatie van de Krim, zijn overigens nog niet direct zichtbaar in de kwartaalcijfers van afgelopen week. Maar dat is een kwestie van tijd. BP heeft een belang van ongeveer 20 procent in het Russische Rosneft. En ook Statoil werkt nauw samen met het Russische oliebedrijf dat onder leiding staat van een van Poetin’s vertrouwelingen.

Niet iedereen verliest

The Economist heeft berekend dat lang niet iedereen verliest bij een lagere olieprijs: een verlaging van de prijs met 10 procent betekent een groei van de wereldeconomie met 0,2 procent. De huidige olieprijs scheelt China bijvoorbeeld 60 miljard dollar, of 3 procent, op zijn importkosten. Ervan uitgaande dat de producten die het land exporteert hun waarde behouden, betekent dat pure winst.

Voor een land als de Verenigde Staten ligt dat minder duidelijk. Het land is tegelijkertijd importeur en exporteur van olie. Goedkopere olie is op zich goed voor de economie, maar als de prijs te veel zakt, loont het niet meer om de schalievelden te ontginnen. Om het zogeheten fracking, waarbij het gesteente gekraakt wordt om olie en gas vrij te maken, rendabel te houden mag de prijs niet onder de 85 dollar zakken. Gebeurt dat wel, dan zal de productie worden stilgelegd, wat juist weer een negatieve impact heeft op de economie. Terwijl de olieprijs weer zal stijgen.

Volgens sommigen is dat precies waar de grootste olieproducent ter wereld Saoedi-Arabië op uit is. Het groeiende aanbod van olie uit de VS vormt een bedreiging voor het marktaandeel van het land. Het land zou de prijs op peil kunnen houden door de eigen productie te beperken, maar doet dat (nog) niet. Met zijn enorme financiële buffers kan het land een lagere olieprijs wel even uitzingen.

Voor Venezuela en Iran die hun economieën kunstmatig op de been houden met de olie-inkomsten is de lage prijs een drama. Venezuela heeft een prijs nodig van minstens 120 dollar, Iran zelfs van 136 dollar. Op 27 november vergadert de Organsiatie van Olieproducerende landen (OPEC) over de productiequota voor het komende halfjaar. Dan zal blijken of de OPEC de markt weer naar zijn hand kan zetten.