Opinie

Depressie-epidemie vraagt om hulp van filosofen en technologen

De aanpak van depressie is niet alleen een zaak van psychologen en neurowetenschappers, schrijven en elf andere hoogleraren en onderzoekers.

Waarom is er geen toename in de effecten van behandeling bij mensen met psychische stoornissen, terwijl er zoveel onderzoek naar hun aandoeningen wordt gedaan? Met die vraag hebben wij, wetenschappers en clinici vanuit de klinische psychologie, psychiatrie, epidemiologie, neurowetenschappen en methodologie, ons afgelopen jaar beziggehouden.

Er bestaan weliswaar behandelmethoden die als effectief worden gezien, maar door de bank genomen zijn de positieve effecten van de behandelingen in de afgelopen decennia niet toegenomen. Ongeveer de helft van de mensen reageert niet of onvoldoende op deze behandelingen en er is sprake van veel terugval. Een eenduidig antwoord is er niet, maar wij denken dat een belangrijke oorzaak ligt in de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek. Zolang dit niet verandert, is vooruitgang in termen van effectievere behandeling niet te verwachten. Waar hebben we het over?

Een van de meest voorkomende psychische stoornissen in Nederland is een depressie. Circa 800.000 mensen lijden eraan. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft met het ‘Meerjarenprogramma Depressiepreventie’ de ambitie om binnen vijftien jaar depressie met 30 procent terug te dringen. Om dit nobele streven te realiseren zal de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet alleen het ontstaan van depressie moeten voorkomen, maar ook moeten zorgen voor een betere behandeling.

Waarom lukt dat niet? Psychische stoornissen zijn het gevolg van een veelvoud van op elkaar inwerkende factoren, zoals biologische (bijvoorbeeld genetische variatie), psychologische (bijvoorbeeld negatieve overtuigingen) en omgevingsfactoren (zoals levensellende). Bij geen enkele patiënt zijn deze factoren hetzelfde, en bovendien kunnen ze in de loop van het leven veranderen.

Kijk ook eens wat computerwetenschappers en economen te bieden hebben

Het wetenschappelijk onderzoek kent disciplinaire ‘zuilen’: vaak wordt één enkele factor (zoals biologische factoren) of één bepaalde aandoening (zoals enkel een depressie of een paniekstoornis) onderzocht, terwijl kennis van en samenwerking met onderzoekers uit andere ‘zuilen’ beperkt is. De kennis die uit onderzoek volgt, is daarmee versnipperd en lastig te integreren en te vertalen naar betere behandelingen. Er zijn wel goede initiatieven waarin aanpalende disciplines in onderzoeksverband samenwerken (zoals het ‘Amsterdam Public Health institute’ van het VUmc/AMC). Maar in de meeste gevallen houden disciplines zich ieder voor zich bezig met de vraag op welke wijze behandelingen kunnen worden verbeterd. Het ‘geheel’ ontglipt ons daardoor. Waar het, naar onze mening, aan ontbreekt is een geïntegreerde benadering van het wetenschappelijk onderzoek op landelijk niveau waarbij disciplines elkaar voortdurend kunnen beïnvloeden. Nu ontmoeten ze elkaar alleen sporadisch.

Dat moet anders. Daarom nodigen wij hun uit mee te denken over hoe we zo’n ‘interdisciplinaire aanpak’ structureel kunnen vormgeven. Dat vergt niet alleen een investering, maar ook de moed om verder te kijken dan de eigen of aanpalende disciplines. We kunnen niet langer onze eigen disciplines centraal stellen.

Zoek de samenwerking

Naast klinische psychologie, psychiatrie, epidemiologie en neurowetenschappen moet hier onder andere worden gedacht aan computerwetenschappen, filosofie, economie, technologie, methodologie, antropologie, sociologie. Zo’n aanpak zou wel eens andere aangrijpingspunten voor de behandeling kunnen opleveren; bijvoorbeeld vanuit een maatschappelijk perspectief (zoals sociale ongelijkheid) in plaats van een medisch perspectief. Doen we dit niet, dan is de kans klein dat preventie en behandeling van psychische stoornissen zullen verbeteren.

Binnen andere wetenschapsgebieden bestaan er tot de verbeelding sprekende voorbeelden van dergelijke interdisciplinaire ondernemingen, zoals het Europees laboratorium voor deeltjesfysica (CERN; Laboratoire européen pour la physique des particules). In CERN werkt men met meer dan 6.500 wetenschappers uit verschillende disciplines aan de vraag hoe materie is opgebouwd. Daar ontstond overigens ook het World Wide Web (www, 1989).

Nationaal instituut

Voor een effectieve aanpak van veel voorkomende psychische aandoeningen zoals depressie en angststoornissen kan de oprichting van een Nationaal Instituut voor Onderzoek naar Psychische Stoornissen een eerste stap zijn. Zo’n organisatie zou het vergaren van interdisciplinaire kennis over psychische stoornissen op landelijk niveau structureel moeten aanjagen en moeten integreren.

Gezien het feit dat in Nederland depressie en angststoornissen veel voorkomen, de ziektelast voor mensen groot is, en de behandelkosten naar schatting 2.217 miljoen euro bedragen, is een dergelijk instituut gerechtvaardigd. Dit gaat duidelijk een stap verder dan tijdelijke subsidies voor samenwerking ‘op afstand’ of met aanpalende disciplines.

Naast wetenschappers en beleidsmakers hopen we dat ook de nieuwe minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport meedoet. Hier ligt een unieke kans voor een inhoudelijk gedragen verandering van de organisatie van wetenschappelijk onderzoek naar psychische stoornissen. Dit zou de ambitie van het ministerie om veel voorkomende belastende psychische stoornissen te verminderen aanzienlijk meer kans op slagen geven.

We denken graag mee.