Ik verlang naar de jacht

Ze was altijd anti-wapen en had een hekel aan bloeddorst, vertelt schrijfster Pauline de Bok bij Turks lamsgehakt. Nu is ze jager. ‘De ontlading als je schiet, is zo intens.’

Pauline de Bok, schrijfster: „Ik wil alles wat bij het leven hoort, kennen. Vergankelijkheid en dood, geboorte en ouderdom, natuur en instinct.”

Pauline de Bok (58) jaagt voor haar plezier. Haar eerste everzwijn schoot ze in januari 2013. Het was een overloper, een jong van iets ouder dan een jaar. Ter plekke ontdeed ze haar buit van geslachtsdelen en ingewanden. Van zijn vlees, nieren en lever bereidde ze een feestmaal. Zelfs het hart at ze met smaak op. „Soms schrik ik er zelf van”, zegt ze. In haar „meest stadse momenten” begrijpt ze niets van haar honger naar de jacht. Maar zit ze eenmaal met geladen wapen in de hoogzit tussen de bomen, dan voelt het alsof ze altijd jager is geweest. „De mens doodt dieren. Wat is daar eigenlijk op tegen?”

Drie maanden per jaar woont ze in een verbouwde koeienstal in Oost-Duitsland. „Het wild loopt om ons huis.” Reeën grazen in de moestuin, wilde zwijnen ploegen het gazon om. „Daar leef ik een plattelandsleven. Voor mij voelt het als thuiskomen.”

Ik haal haar op bij haar Amsterdamse huis. Een appartement op het Bos en Lommerplein; markt, winkels, druk autoverkeer. „Kom”, zegt ze als ze naar buiten komt. „Ik wil je wat laten zien.” Met flinke passen loopt ze naar het plantsoen achter het wooncomplex. Ze houdt de kraag van haar bontjas – astrakan met een randje nerts – stevig dicht tegen de opstekende koude wind.

In het plantsoen tussen de huizen zijn negen grote perken aangelegd. Buurtbewoners hebben er kruiden geplant, er is een veldje met fruitbomen, één met bramen- en bessenstruiken en wat bloemen en groenten. Ze huppelt bijna als ze vertelt over wat ze samen met de gemeente en de buurt voor elkaar heeft gekregen: een stadstuin in het meest verstedelijkte stukje stad.

Dan lopen we naar de lunchlocatie van haar keuze. Ze heeft lang gezocht naar een restaurant waar wild op de kaart stond, zegt ze. Het is volop herfst, het jachtseizoen is geopend. „Maar wat ik vond, is oubollig, te chic of te gelikt.” Ze koos het Turkse restaurant aan de overkant van haar straat. Bomvol rond het middaguur. Turkse families, zakenmensen, ambtenaren van het naastgelegen stadsdeelkantoor. „Deze omgeving past bij mij. Hier leef ik ook.”

Donkerrood gelakte nagels, haren die ze af en toe tracht te fatsoeneren. Niet jagen, maar schrijven is haar beroep. Haar roman De jaagster gaat over twee jagende vrouwen. Een ervaren, bejaarde jaagster, en een jonge vrouw die het nog moet leren. „Ik vond dat ik zelf moest kunnen jagen om er goed over te kunnen schrijven.” Ze volgde de jachtschool, in Duitsland. „Daar wordt het jachtdiploma das grüne Abitur genoemd. Qua moeilijkheid te vergelijken met een vwo-diploma.” Ze leerde over land- en bosbouw, voortplanting, voeding en leefgedrag van alle dieren. Alles over wapens en munitie. „Het is een soort hersenspoeling.” In 2012 haalde ze haar examen. Ze beschikt nu over een Duitse jachtakte, waarmee ze alleen in Duitse bossen mag jagen.

Jagen alleen om erover te schrijven? „De fascinatie ervoor was er al eerder natuurlijk”, zegt ze. „Ik wil alles wat bij het leven hoort, kennen. Vergankelijkheid en dood, geboorte en ouderdom, natuur en instinct.” Ze studeerde theologie en filosofie. „De jacht stootte me af én trok me aan. Ik ben altijd anti-wapen geweest, heb een hekel aan bloeddorst en geweld. Maar tegelijk doe ik graag iets wat ik nét niet durf. Ik stel me bloot aan wat me angst inboezemt. Beter ermee om leren gaan, dan wegduwen.” Precies om die reden is ze rond haar veertigste een tijdje bij de terminale thuiszorg gaan werken. „Ik had de dood nog nooit van dichtbij meegemaakt en werd er steeds banger voor.” Dat leverde ook een boek op, Doodsberichten. „Schrijvend kan ik een onderwerp van alle kanten onderzoeken. Zonder tot een slotsom te komen trouwens.” Voor een eerder boek, over het voormalige Oost-Duitsland werd ze genomineerd voor de M.J. Brusseprijs, de prijs voor het beste journalistieke of non-fictieboek.

Nu ze weet wat jagen is, kan ze ernaar verlangen. „Uren zit je in je kansel (hoogzit). Alleen in dat schitterende landschap, alleen het schijnsel van de maan. Alle besef van tijd is weg. En dan hoor je iets. Door je kijker zie je een rotte everzwijnen. Je krijgt er een recht in in je vizier. Je laadt, je richt. Het is nu of nooit. Je schiet. Raak. Het dier valt om. De ontlading die je dan voelt, is zo intens.”

Tegenstanders van de jacht zeggen dat het jagers alleen om de kick van het doden gaat, zeg ik. „Dat is ook een kick”, zegt zij. Ik: jagers zeggen dat het niet om het schieten gaat, maar alleen om het jagen „Zo van: ga in het bos zitten en fotografeer die beesten? Nee. De spanning van het schieten is heel anders. Alsof je in trance bent, zo geconcentreerd.” In De Nederlandse jager, het tijdschrift van de jagersvereniging heet jagen soms ‘wild oogsten’. „Bespottelijk. Alsof dieren zich willoos laten plukken. Je moet niet met taal verhullen wat je werkelijk doet. Zeg gewoon dat je met je handen in het bloed zit. Dat je het hart uit de romp snijdt, de pik en de ballen verwijdert omdat anders het vlees bederft.”

Pauline de Bok woonde de eerste veertien jaar van haar leven in Geesteren, een klein dorp aan de grens met Duitsland. „We woonden tegenover de slager. Ik weet niet beter of we stonden met wat buurtkinderen in het steegje door het raam te gluren als er varkens werden geslacht.” Haar moeder was verpleegster, haar vader dierenarts. „In de winter, als de koeien kalfden, moest hij zo ongeveer elke nacht zijn bed uit. En altijd mocht een van z’n kinderen mee.” Ze was de tweede dochter van vier kinderen. „Net als mijn vader waste ik mijn handen bij de pomp. Deed een rubberen schort om. En dan beenden boer, knecht en mijn vader over het erf naar de koe. En denk maar niet dat ze omkeken om te zien of ik ze wel bij kon houden.” Als ze nu tegen schemertijd door de Duitse bossen en velden struint, voelt ze zich als toen.

In de vitrine van Bir Tat staan schalen met de gerechten van de dag. Köfte (lamsgehakt), linzen met en zonder vlees, gebraden kwarteltjes en daarnaast, ze buigt zich naar voren om het beter te bekijken, niertjes. „Van een schaap. Reenieren zijn kleiner.” Ze maakt een denkbeeldige snee rond haar polsen. „Als je een ree met een scherp mesje bij de poten aansnijdt, strip je de huid er zo af.” Ze knikt. „Mensen vragen vaak hoe ik met droge ogen een dier kan doden.” Ze slaat haar handen voor haar ogen, zet een stemmetje op: „Zo verschrikkelijk zielig voor die arme dieren.” Kletspraat, vindt zij. „Diezelfde mensen eten wél graag een stukje vlees. Maar ze zijn veel te fijnbesnaard om erbij stil te staan hoe dat stukje op hun bord komt.”

Wondbed

Hondenbezitters in de buurt die haar voorheen groetten, doen dat niet meer sinds ze weten dat ze jager is. Maar ze heeft geen zin om in het defensief te gaan, zegt ze. Om het vervolgens toch te doen: „Geen mens weet zoveel van het dier dat hij doodt als de jager. Is het een mannetje of vrouwtje, is het een moederdier, een jong? Schiet hij een dier half aan, dan heeft hij een probleem. Hij mag het aangeschoten dier niet achterna. Het heeft het recht in alle rust te sterven in zijn wondbed. Wat is erger? Dit? Of de bio-industrie waar biggen die nooit daglicht zagen volautomatisch worden geslacht?”

Misschien dat alleen een vegetariër haar dierenbeul zou mogen noemen. „Maar mag een vegetariër wel leer dragen? Eieren en zuivel eten? En wat moet er dan gebeuren met bokken, stieren en hanen? Wat geeft een vegetariër z’n hond? Vlees, of vegetarisch voedsel? En is dát dan geen dierenmishandeling?”

De gezamenlijke stadstuin in Bos en Lommer is ontdekt door de konijnen. Haar jagersinstinct zegt: „Het zijn er te veel. Ze vreten alles op. Hup, in de pan ermee.” Haar stadse ik heeft de gemeente voorgesteld de beesten te vangen en te verplaatsen naar elders. „Mocht niet. Dat vinden Amsterdammers tegen de natuur.” Ze zucht. „Nu is het wachten tot er vanzelf myxomatose uitbreekt.” Een dodelijke konijnenziekte. „Dan gaan ze allemaal kapot.” Ze lacht. „Dat is de taal van mijn vader. Een koe is niet dood, die is kapot.” Nou is er onlangs op het Bos en Lommerplein een vos gesignaleerd. Ze grinnikt. „Een heel dikke vos die de tijd van z’n leven heeft.”

Wild heeft geen natuurlijke vijand meer, zegt ze. Wolven zijn er nauwelijks meer. En te veel wild op dezelfde plek veroorzaakt schade aan de gewassen. „Wel eens gezien wat everzwijnen doen? Die vreten zich eerst door de koolzaadvelden. Is dat geoogst dan verhuizen ze naar de tarwe, is dat op dan beginnen ze aan de mais. Dierenbeschermers zeggen dan: plaats hekken om de landbouwgrond. Hekken. Dán maak je wild het leven pas echt onmogelijk.” Kun je er beter een paar afschieten, bedoelt ze te zeggen. „De mens is een predator. Ik ben nu de natuurlijke vijand.” Feit is, zegt ze, dat de meeste van ons vervreemd zijn van hun aard.

Ze vertelt over het roedel damherten dat ze samen met haar vriend afgelopen zomer in het veld zag staan. „Vlak bij een camping. Er klonk dronken gelal, flarden karaoke. Die herten maakt het niks uit, aan die herrie zijn ze gewend. Drie schoffelaars stonden in het maanlicht te grazen, hun witte buiken lichtten op. Je weet niet wat je ziet. Net een sprookje.” Een sprookje dat zij uitblaast. Ze haalt haar schouders op: „Af en toe heeft er eentje pech.” Maar, zegt ze, zo ben ik voor mezelf ook. „Dood hoort bij het leven. Wat als ik uit mijn kansel donder en mijn nek breek? Geen bereik, in de verste verte niemand om me te helpen. Tja, dat was het dan. Dan heb ik pech.”