Ik kan niet leven met verbittering

Hij schreef vooral over zijn vader, maar Adriaan van Dis ontdekte dat zijn moeder een grotere rol in zijn leven speelde dan hij vermoedde. „Ik merkte dat ze ook echt een boosaardige vrouw wás.”

tekst Toef Jaeger foto’s Roger Cremers

„Ik heb geprobeerd een aardiger moeder terug te halen” Foto: Roger Cremers

‘Misschien is dit wel mijn persoonlijkste boek, ook omdat ik heel bang was om het te schrijven. Ik had veel last van mijn moeder toen ik deze roman schreef’, legt Adriaan van Dis uit over zijn donderdag verschenen roman Ik kom terug. Even daarvoor stond hij voor de fotograaf bladeren te harken in de tuin van zijn uitgeverij Atlas Contact en zich hardop af te vragen welk gezicht hij voor de foto zou opzetten.

In zijn nieuwe roman draait het, anders dan in de eerdere boeken over zijn familie, vooral om zijn moeder. Hij schrijft over haar jeugd en over haar wil om te sterven. In de vorige romans ging het vooral om de vader – de kleine Indische man die in Bergen werd nagewezen vanwege zijn kleur, dure kleren en kopjes koffie in een hotel terwijl hij werkeloos was – en die jong sterft. Deze keer is het zijn bijna honderdjarige moeder die aangeeft niet meer te willen leven. In ruil voor zijn hulp bij het sterven, vertelt ze haar zoon verhalen over vroeger, opdat hij een vollediger beeld kan krijgen van de vrouw die bepalend voor hem is geweest.

Heeft u een ander beeld van uw moeder gekregen door dit boek te schrijven?

„Ik heb geprobeerd een aardiger moeder terug te halen. Soms op een onaardige manier, alleen om zo bij een minder boosaardige moeder uit te komen, niet de kwaaie vrouw die ze de laatste vijftien jaar van haar leven was geworden. Ze was niet benepen boosaardig, maar kwaad op de wereld. Of op zichzelf omdat ze niet in staat was haar gevoelens te uiten. Het was nooit iemand die je op schoot nam of geïnteresseerd was in andermans wel en wee. ”

Is die behoefte aan het vinden van een aardiger moeder ook de reden geweest dat u haar de laatste tijd zo intensief verzorgde?

„De behoefte om haar verhalen op te schrijven ontstond in Parijs toen ik haar weinig bezocht, twee keer per jaar ongeveer, maar haar wel met enige regelmaat belde, omdat ik me schuldig voelde. Op den duur belde ik dagelijks, maar altijd slechts kort. Ze vertelde dingen waar ik aantekeningen van ging bijhouden. En ik merkte dat ze last had van die verhalen. Je kunt heel lang gesloten en hard zijn, heel lang het water tegen de dijk laten klotsen, maar op een gegeven begint het te sijpelen. Toen ben ik haar gaan interviewen, omdat ik alles precies wilde weten.

„Zo ontpelde ik haar. Hoe zij bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog heeft meegemaakt, daar wist ik helemaal niets van. Die periode heeft haar zeer gevormd. En dan natuurlijk de Tweede Wereldoorlog. Wat er in het Jappenkamp gebeurd was, daar werd niet over gesproken. De moeders van mijn leeftijdgenoten hadden altijd ‘migraine’ als er een probleem was. De migraine van mijn moeder heette oorlog. Ze was onbenaderbaar. Voor haar dochters nog meer dan voor mij, met hen had ze een stil verbond om te zwijgen. Omdat ik niet toegelaten werd in hun wereld en nieuwsgierig van aard ben, heb ik dat zwijgen al jong opengebroken. Ik ben de schatbewaarder van hun trauma’s. Het kind dat er niet bij hoort, en dat omdat het van niks weet, júíst het meest erbij wil horen.”

In uw roman schrijft u dat u behalve een buitenstaander ook een ongelukje was. Gaat iemand die een ongelukje is harder zijn best doen om erbij te horen?

„Dat ik een buitenstaander was, probeerde ik te verhullen door acteur te worden. De speler die overal bij hoort. Als kind nam ik een rol aan, maakte toneelstukjes en ik verkleedde me in malle jurken en dusters en spande een bh over m’n oren. Wat wil je, vier vrouwen om me heen. Ik was een Ko van Dijk in het kwadraat, maar tot een toneelcarrière heeft het niet geleid. Nederland wil ingetogen toneel. Dat ik een ongelukje was, heb ik nooit als een belediging ervaren, die opmerking was een running gag in de familie. Je kan van een ongelukje het beste maken. Het is nooit een verwijt geweest, ik was de eerste zoon na drie dochters en dat kwam goed uit. Ik was het vredeskind.”

Kon u deze roman nu pas schrijven omdat uw moeder inmiddels overleden is?

„Ja, ik kon absoluut niet over haar schrijven zolang ze leefde, daarvoor was ze véél te aanwezig. Nu werd het noodzakelijk. Ik merkte wel dat er veel boosheid naar buiten kwam, en daar voelde ik me schuldig over. Ik wilde haar geen pijn doen en tegelijkertijd merkte ik dat ze ook echt een boosaardige vrouw wás. We herkenden elkaar in onze boosaardigheid. Het lag niet in haar aard om ooit een compliment te maken. Dat is misschien een beetje zielig, een man van 67 die klaagt over ‘nooit een aardig woordje van mijn moeder.’ Bovendien wilde ik mijn moeder als sensuele vrouw neerzetten. Ze was een mooi meisje, dat beeld moest er ook zijn en niet de moeder die in een lelijke trainingsbroek uit de Otto-catalogus voor bejaarden rondliep.”

In alle familieromans komt de vraag aan de orde waarom uw moeder wegliep wanneer u geslagen werd door uw vader. Heeft u inmiddels een antwoord op die vraag?

„Niet willen weten. Zoals ze wegliep in de esoterie, in zweefboeken, Madam Blavatsky, met duistere formuleringen die bijna net zo interessant zijn als hermetische poëzie. Dat was haar weglopen voor de werkelijkheid, en zo liep ze weg voor het schuim op de bek van mijn vader. Misschien deden wij dat thuis allemaal wel. Nooit is het woord ‘oorlogstrauma’ genoemd. Nee: zenuwachtig, dat was het algemene woord voor mensen die vreemd deden. Neem ik het haar kwalijk? Ik ben acht jaar in analyse geweest maar in die periode kwam mijn moeder eigenlijk helemaal niet aan bod. Zelfs mijn hooggeleerde therapeut – bij wie ik terugkeerde tijdens het schrijven aan dit boek omdat ik het heel lastig kreeg, en het ook zag als een APK, een Algemeen Psychiatrische Kontrole – vroeg zich af: waarom hebben we die moeder niet eerder een plaats gegeven? Dat was een inzicht dat groeide tijdens het schrijven: dat ze een veel belangrijker rol in mijn leven heeft gespeeld dan ik ooit vermoed heb.”

Hoe kwam het dan dat ze die plaats zo laat kreeg?

„Omdat ze altijd zo bezorgd was en geleden had, en de vrouw was achter twee mannen die beiden dood waren, ontzag je je moeder. Tussen mijn tiende en twintigste levensjaar was ik een begripvolle zoon voor een moeder die het zwaar had gehad. Ze was iemand met een uitgedoofd gevoelsleven. Wanneer dat uitgedoofd is daar ben ik niet achter gekomen.

„Misschien gebeurde het toen ze op driejarige leeftijd haar moeder verloor, of omdat ze uit de stroeve wereld van de boer komt: hard werken, niet zeuren, het vee vraagt aandacht, de suikerbieten. Een mens moet flink zijn. Ik denk dat het een opeenstapeling van gebeurtenissen is geweest - de onthoofding van haar eerste man, een geestelijk gederailleerde tweede echtgenoot, twee dochters overleden, een kleinkind overleden. Het stapelt zich allemaal op als je oud wordt, een fruitschaal vol overlijdensberichten. Ga je daar een verhaal omheen maken dan kom je uit op karma, verzet heeft geen zin, boos worden niet, treurig worden ook niet. Uiteindelijk kun je zeggen dat ze misschien iemand was die de hele tijd min of meer depressief was. Maar dat zijn van die grote woorden. Wat pijnlijk is, is dat ze mijn vaders familie voor me heeft weggehouden, mijn boerenfamilie – er woonden broers en zusters in Nederland. Ik ontdekte laatst dat mijn vaders grootvader tot 1965 in Nederland woonde. Nooit van die man gehoord zelfs. Maar ook de Indische familie van haar eerste man. Mijn zusjes hadden dus ook geen familie. Dat is een kwaadaardige trek van haar. Ze deed dat waarschijnlijk omdat ze geen leuke herinneringen aan ze had.”

U schrijft dat u bang was dat het boek te kil zou worden. Waarom?

„Omdat zíj zo kil was. Ik speelde een heel rare rol, ik noem mezelf daarom een aasgier die de zinnen van haar lippen steelt, die haar verlangen om te sterven nauwgezet volgt, zijn eigen emoties wegduwt, die opschrijft wat hij ziet en hoort en als een koele kikker doorgaat met het ontleden van het verleden van zijn moeder. Dat is geen fraaie eigenschap. Maar ik betrapte me erop dat ik haar afstandelijkheid ook had en heb, om dit te kunnen. Tijdens het schrijven had ik één angst: dat er in het schrijven iets amoreels schuilt. Ik wil oprecht zijn, eerlijk zijn maar tegelijkertijd lieg ik. Hoe ga ik om met mijn leugens, hoe draai ik ze naar de werkelijkheid, of heb ik ze juist nodig om bij de werkelijkheid uit te komen? Dat proces verwarde me, maar het was een puur literair, stilistisch proces. Dat je van een kale zin een heel verhaal maakt en van een opgedirkt verhaal iets maakt wat in de prullenbak belandt. Dat is de verbeelding, en het simpele, ambachtelijke van het schrijven. Daarmee heb ik niet zozeer ‘geworsteld’ maar het zijn wel morele kwesties. Het hele boek gaat uiteindelijk over de vraag: hoe vertel je een verhaal? En hoe geef je vorm aan de herinnering? Mensen vertellen een verhaal nooit één keer. Het zijn rituelen van herinnering: ‘weet je nog die keer…’ Er werd gepraat, maar in dat praten werd verstoppertje gespeeld, het waren altijd anekdotes, een geschiedenis die niets toevoegde.”

U schrijft ook: het dramatiseren maakt de boel erger. Maar kan schrijven niet ook verzachten?

„Uiteindelijk wordt het verzacht door het allemaal te zeggen, alsof je de pus uit een wond drukt. Maar geconfronteerd worden met wat je geschreven hebt, was niet altijd even eenvoudig. Wat ik bijzonder vond van mijn moeder was dat zij zich zo goed in het Indonesië in wording kon verplaatsen. In haar pijnlijk gespleten liefde voor dat land. Haar man veranderde toen ze in Indië was van een exotische bruine jongen tot iemand die door zijn keuze voor het leger in de rol van gezagsdrager en onderdrukker werd gemanoeuvreerd: het zogenaamd apaiseren van wilde gebieden, het onderdrukken van nationalistische erupties.

Dat heeft die man, maar ook mijn moeder, verscheurd . Mijn moeder was over de kleurlijn getrouwd, ze werd gewantrouwd door de inheemse bevolking, maar evenzeer door de Nederlanders. Zo’n provinciaaltje met een donkere jongen, dat kan nooit goed gaan. Het Indië van mijn moeder is geen zacht tempo-doeloe-Indië. Zij zag de verscheurdheid van het land, van de mensen, en ze begreep donders goed wat ze wilden. Mijn moeder was een meester in het wegkijken als het om het innerlijk ging, maar ze was wel politiek betrokken. Voor haar was Indië met schaamte omgeven. Voor zo ver we elkaar vonden was dat in haar liberale kijk op het verleden. Ze begreep heel goed dat ik betrokken raakte bij de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika.”

Was dat omdat u als enige van het gezin geen oorlog had meegemaakt?

„In zekere zin. Ik vond in die apartheid, in de taal van Breytenbach, iets terug vandat Nederlands-Indische van mijn familie, die enorme kleurgevoeligheid. Ik ben opgegroeid in een huis van gekleurde mensen en hoorde hoe mijn zusjes ‘blauwen’ werden genoemd, hoe er gedacht werd over Indische mensen. Omdat ik niet werd toegelaten tot het Indië van mijn ouders, maakte ik van Zuid-Afrika mijn eigen literaire kolonie. Dus daar kon ik veel in kwijt. Ik zocht daar heldendom en ik was werkelijk begaan met de politiek daar. Tegelijkertijd was het romantisch en spannend. Dat was mijn oorlog, mijn verzet. Ik wilde aan de goede kant van oorlog horen, en dan eentje die te maken had met rechtvaardigheid en kleur.

„Toen ik in Parijs gastschrijver was, las ik met studenten romans van Hafid Bouazza, Tahar Ben Jelloun, Abdelkader Benali en ook mijn werk. We zagen dat al die boeken gaan over het anders zijn, sluimerend racisme, jezelf uitverkoren voelen omdat je anders bent. De studenten, merendeels ‘gewortelde’ Fransen zagen opeens overeenkomsten. Het is goed dat die er is, de boeken over ons koloniale verleden vertellen ons niet zozeer iets over het verleden, maar wapenen ons voor de toekomst. Ik zelf ben toen mijn eigen vader gaan zien als immigrant, een ontwortelde man”

Is begrip krijgen voor de ander eigenlijk wel prettig?

„Ja, ik heb dat nodig. Ik kan niet leven met verbittering. Ik weet nog goed dat ik op m’n 18de voor de kinderrechter moest verschijnen omdat ik dan officieel de naam van mijn vader zou krijgen, maar dat ik dat niet wou omdat ik die man haatte. Die haat heeft me nergens gebracht. Pas door er over te gaan schrijven en in het schrijven herinneringen toe te laten en constructies te maken, kwam er ook iets van genegenheid uit. En die genegenheid heb ik nodig, of die nu er werkelijk is of niet, dat interesseert me niks. Ik kan zo niet leven – wat klinkt dit vreselijk dominee-achtig – ik wil geen verbitterde oude man worden.”

En nu? Is de familiegeschiedenis nu afgerond?

„Mijn idee is dat alles nu in een kluis zit die op slot zit, maar je loopt er soms langs. De hele familie zit nu achter dubbelstaal, maar soms piept er iemand. En dat schrijf ik dan toch maar op. Met mijn militaire vader ben ik wel klaar, maar soms klopt hij toch nog op de deur en zegt: jongen, je hebt het al zo lang niet meer over me gehad. In de schrijftocht van Ik kom terug maakte ik al aftastend kennis met de ware generaal in de familie. Die generaal heet moeder. Zeg… is dat geen mooie laatste zin?”