Ik kan mijn hoofd en hart weer samen gebruiken

‘De verftekening aan de muur maakte mijn zoon toen hij negen was. Hij was boos. Hij had iets stouts gedaan en ik had ’m naar zijn kamer gestuurd.’ Foto Gijsbert van Es

„Ik weet nog precies waar en wanneer het was. Ik wandelde met de hond en ik dacht: ‘Ben ik dáárvoor arts geworden?’

„Ik was 58 jaar. Ik was geruime tijd thuis geweest na een oogoperatie. Bij een reorganisatie was mijn baan intussen geschrapt. Ik kon een beleidsfunctie krijgen. Wilde ik die niet, dan zou er een gesprek volgen over een manier ‘waarop wij afscheid van elkaar kunnen nemen’.

„Ik hoefde er niet lang over na te denken. Nee, zo’n functie leek mij niets. Ik zag de bui al hangen. Een onduidelijke baan accepteren en dan op m’n 60ste, bij een volgende reorganisatie, alsnog wegbezuinigd worden. Ik zou een sluitpost op de begroting zijn. Ik wilde zelf kunnen beslissen wanneer ik zou stoppen met werken.

„Na ruim twintig jaar werken in de wetenschap wilde ik terug naar de patiëntenzorg – mijn werkzame leven afsluiten zoals het ooit begonnen was. Ik had genoeg van de politieke spelletjes en dansjes waarin ik me meegezogen voelde. Ik wilde een baan waarin ik mijn hoofd én mijn hart weer samen kon gebruiken.

„Dankzij een financiële regeling kon ik beginnen aan de noodzakelijke medische na- en bijscholing, want ik had 22 jaar geen patiënten behandeld. Ik wilde huisarts worden. Ik had de eerste maanden als arts-assistent in een ziekenhuis achter de rug, toen mijn zusje een vacature in de krant zag staan. Ze belde en zei: ‘Lees die advertentie eens, die kwalificaties zijn jou op het lijf geschreven, er staat nog net geen ‘Joke’ bij’.

„Gesolliciteerd. En aangenomen – opeens was ik vertrouwensarts bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Geweldige baan, een vaste baan, tot m’n 65ste, en sindsdien krijg ik jaarcontracten, voor vier dagen in de week. Ik hoop nog anderhalf jaar te kunnen doorgaan, tot m’n 70ste.

„Wij doen twee dingen. We geven adviezen aan mensen die vermoedens van kindermishandeling willen bespreken. En we doen onderzoek wanneer concrete gevallen van kindermishandeling bij ons zijn aangemeld. Meldingen komen van de politie, van hulp- en zorgverleners en van mensen uit de directe omgeving van gezinnen.

„Voor het eerst in mijn leven doe ik werk waarvan ik denk: ik kan dit, dit gaat me goed af. Eerder, bij mijn onderzoekswerk, was er steeds die onzekerheid van: weet ik genoeg, kan ik die conclusies al trekken? Als vertrouwensarts hoef je niet ‘alles’ te weten. Je moet voldoende weten om wel of niet, en op een passende manier, te kunnen bijdragen aan de veiligheid van kinderen thuis. De ene keer moet je acuut ingrijpen, omdat een kind fysiek gevaar loopt en direct uit huis geplaatst moet worden. De andere keer kun je al iets bereiken met één of enkele gesprekken.

„Mij helpt het dat ik dit werk op latere leeftijd doe. Alles wat ik heb verzameld in ‘de rugzak van mijn leven’, zowel professioneel als persoonlijk, komt me nu van pas.

„Dat ik in de jaren na mijn studie op het platteland van India heb gewerkt, helpt mij de juiste woorden en beelden te vinden in contacten met ouders uit Suriname en India. Mijn promotieonderzoek over Turkse en Marokkaanse kinderen in Nederland geeft me houvast als ik ouders met die achtergrond spreek. Door mijn werk bij TNO kan ik kritisch naar onderzoek kijken en niet zomaar aannemen wat aan zogenaamd nieuwe kennis uit een hoge hoed wordt getoverd. Als leidinggevende heb geleerd dat organisaties in de ban kunnen raken van de waan van de dag, en dat je het hoofd dan maar beter koel kunt houden, in afwachting van de volgende waan. Ervaringen bij mijn eigen echtscheiding geven mij nu woorden om gevoelens van ouders bij vechtscheidingen zo te benoemen dat zij zich elk als individu erkend voelen en tegelijkertijd gaan beseffen dat zij samen ouders zijn en blijven van hun kinderen.

„Ik heb geleerd dat ouders, óók in moeilijke en kwetsbare situaties, ongeacht rang of stand, uiteindelijk toch het beste willen voor hun kinderen. Die wijze van benadering, dat respect is een voorwaarde om tot hen te kunnen doordringen, hen aan te raken. Ik oordeel wel over ontoelaatbaar gedrag, ik veroordeel hen nooit, omdat dit niet bijdraagt aan oplossingen. Vaak handelen ouders uit onmacht, zijn ze zelf als kind mishandeld geweest. Een onontdekte, onbehandelde psychiatrische stoornis kan een rol spelen. Elke situatie is anders.

„Dit werk kent moeilijke dagen. Eén- of tweemaal per jaar ga ik mee als een kind uit huis wordt geplaatst. Dat doen we met een team, met iemand van de Raad voor de Kinderbescherming erbij, soms met iemand van de politie ook. Het kan er heftig aan toe gaan. Woedeuitbarstingen. Agressie. Dan moet je rustig op ouders blijven inpraten, begrip tonen, herhalen dat je handelt in het belang van hun kinderen, vragen of ze zich willen inhouden waar de kinderen bij zijn, zorgen dat ze snel een tas met kleertjes inpakken.

„In de media komt dit werk vooral als iets mis gaat. Dan gaat de beschuldigende vinger al snel richting jeugdzorg. Ik weet nu wat de dagelijkse praktijk is: dat we veel kinderen een beter leven kunnen geven door te helpen een positieve verandering in hun thuissituatie te brengen. Dat ouders ons soms bedanken als ze een uitweg uit een crisis hebben gevonden. Dat radicaal ingrijpen soms onontkoombaar is, omdat kinderen hun leven niet zeker zijn.

„We werken in een hecht team, met een man en een vrouw als onze leidinggevenden. Ik zeg wel eens: wij zijn net zelf een groot gezin, met moeder, vader en de kinderen. De onderlinge band is sterk: we kunnen problemen bespreken, stoom bij elkaar afblazen. Als ik onderweg naar huis ben na een moeilijk huisbezoek krijg ik sms’jes van collega’s, ‘En, hoe ging het?’

„Dat is wat me energie en inspiratie geeft: dat ons werk nut en betekenis heeft, voor kinderen en ouders, en dat ik samenwerk met mensen die dit ook zo ervaren. Zo sta ik midden in de maatschappij – en niet langs de kant, omdat mijn leeftijd dat toevallig zou voorschrijven.”