Goede liedjes moet je warm houden

De Vlaamse popzanger Rocco Granata is vooral de man van ‘Marina’, een liedje dat tijdens een toevallige improvisatie ontstond en een hit werd. „Ik heb nummers geschreven met tien akkoorden, terwijl Marina er maar drie heeft. Het is de simpelheid die de mensen bereikt.”

Rocco Granata: ,,Hoe kan ik het de mensen aandoen om niet ‘Marina’ te zingen? Pas op hè, ik ben geen snoever” Foto Hollandse Hoogte

Heeft hij wel eens een hekel aan Marina gekregen?„Nee”, zegt Rocco Granata. En dan, na een korte stilte: „Wel gehad. Twintig, dertig jaar geleden, toen ik het al honderdduizend keer had gezongen – toen wél. En dan liet ik het weg. Maar dan zag ik de gezichten in de zaal, de mensen die zo veel geld hadden betaald om mij te zien optreden, en dan dacht ik: hoe kan ik het die mensen aandoen om niet ‘Marina’ te zingen? Pas op hè, ik ben geen snoever. Er zijn misschien honderdduizend zangers die beter zingen dan ik. Maar ik ben de man van ‘Marina’. Dat moet je niet proberen te veranderen. Deze zomer trad ik in Maastricht op met het orkest van André Rieu. Ik zei tegen André dat ik een goed nummer voor hem wist: een thema uit La Traviata van Giuseppe Verdi. Zó mooi. Maar toen antwoordde hij: Rocco, ik breng alleen liedjes die de mensen kennen. Hij heeft gelijk. Mijn laatste cd, Ricominciano, met bossa nova-achtige nummers in een jazzy sfeer, is de mooiste die ik ooit heb gemaakt, en tegelijk de minst verkochte van allemaal. Maar de arrangeur zei tegen mij: ach Rocco, trek je er niks van aan, die cd is er nu toch? Hoe beter ik ben, hoe slechter ik verkoop. Ik heb nummers geschreven met tien akkoorden, terwijl Marina er maar drie heeft. Het is de simpelheid die de mensen bereikt.”

Rocco Granata (76) houdt kantoor op de benedenverdieping van een appartementenblok in Kapellen, een groene enclave ten noorden van Antwerpen. Met een stuk of vijf medewerkers, onder wie zijn vrouw en zijn dochter, werkt hij hier aan de exploitatie van de honderden liedjes die hij schreef. Hij staat op van zijn grote bureau en trekt een kast vol hangmappen open. Elke map bevat contracten, correspondentie en andere paperassen over één nummer. Zoals het wiegeliedje Buona notte bambino en het vooral in Vlaanderen geliefde Zomersproetjes. Maar zijn eerste hit, Marina, is ook veruit zijn grootste gebleven. Nog dagelijks worden er zaken mee gedaan. Soms geeft hij gratis toestemming voor het gebruik van een nummer, bijvoorbeeld aan jonge filmmakers die niet het gebruikelijke tarief kunnen betalen. Dat is ook in zijn eigen belang, verklaart hij: „Het is als met eten. Goed eten kun je heel lang warm houden. En zo is het met goede liedjes óók. Die hou je warm door te zorgen dat ze in de roulatie blijven.”

Dan gaat hij weer zitten en begint – in karakteristiek Vlaams met mediterrane toonzetting – te vertellen dat zijn vader een Italiaanse arbeider was die emplooi vond in een steenkoolmijn in Genk, zijn gezin liet overkomen en tegen zijn zoon zei dat die een goed beroep moest kiezen. En dus nooit in de mijn, luidde ’s mans advies. Dat de zoon het onzekere beroep van muzikant wilde kiezen, tegen de zin van de vader, was ook het onderwerp van de biografische film Marina, die een jaar geleden in Vlaanderen in première ging en daar een waar kassucces werd: „We stonden hier tweede op de lijst van best bezochte films!” Zelf speelde Granata, op verzoek van regisseur Stijn Coninx, de ruimhartige muziekwinkelier die de kleine Rocco op een uiterst goedkoop soort afbetaling een accordeon verkoopt. Zo ging het ook in het echt.

Een paar Italiaanse woorden

En toen, op zijn achttiende, zat hij in een café wat te improviseren terwijl de leden van zijn orkestje even een pauze hadden. „Er kwam een melodietje in mijn hoofd”, vertelt hij nagenietend, „en omdat ik wist dat er in het publiek geen Italianen waren, voelde ik me vrij om er zo, uit de losse hand, ook een paar Italiaanse woorden bij te verzinnen. Op dat moment keek ik om me heen en zag een reclameplaat aan de muur, voor sigaretten. Het merk stond erbij: Marina. Ik zag een schoon blond meisje en er stond een lange hond bij, om aan te geven dat het een lang formaat sigaretten was. Dat merk is nooit op de markt gekomen, maar het was voor mij de naam van het meisje.”

Een paar jaar later, in 1959, kreeg hij de kans een plaatje op te nemen. De a-kant was al klaar, maar hij had geen tijd gehad een liedje voor de b-kant voor te bereiden. „Toen heb ik in de studio tegen mijn muzikanten gezegd: weten jullie nog het nummertje dat ik zat te improviseren? Ze speelden het onmiddellijk na, maar ik had nog geen echte tekst. De studio was gehuurd; we hadden nog twintig minuten om iets voor de achterkant op te nemen. Ik heb snel een paar zinnetjes opgeschreven, maar tenslotte was er echt geen tijd meer – zodat we het refreintje hebben afgemaakt met oh no no no no no.” En het werd nóg mooier: omdat geen enkele platenmaatschappij het resultaat wilde uitbrengen, liet hij zelf de plaatjes persen. Waarmee tevens de grondslag werd gelegd voor zijn eigen firma Cardinal Records, die in de hoogtijdagen – de jaren zestig en zeventig – uitgroeide tot een stal met een groot aantal Vlaamse vedetten en zelfs een eigen perserij. Veertig man had hij destijds in dienst.

Rocco Granata moet dat verhaal al oneindig vaak hebben verteld, maar zijn enthousiasme klinkt onverflauwd. En hij voegt er, ongevraagd, aan toe: „Ben ik zakelijk? Als mensen vragen hoe veel geld ik heb, weet ik dat niet. Dat heb ik nooit bijgehouden. Ik heb in elk geval nooit geld hoeven lenen; ik heb geen schulden. De aandelen in onze firma heb ik aan mijn kinderen gegeven.”

Hij trad niet vaak meer op, de laatste tijd. Maar morgenmiddag begint in Breda zijn afscheidstournee door Nederland en België. „Een mooi programma”, zegt hij glunderend, „met alle liedjes die de mensen graag van mij horen”. Maar wordt dat werkelijk zijn afscheid? „Ja”, antwoordt Granata, „ik heb alles gedaan en nu is het genoeg.” Om er na enig nadenken aan toe te voegen: „Ik zing en speel nog met heel veel plezier. Ik zou willen sterven op het podium.”