Gewone klussende klungels

Bernard Hulsman grasduint in de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn indruk.

Net als Annegreet van Bergen in haar recente bestseller Gouden Jaren vindt Han Lörzing in Jaren van verandering [1]dat de snelle modernisering van Nederland na WO II vooral vooruitgang betekende. ‘Zoals ooit een bouwvakker mij in de schaftkeet boven zijn broodtrommeltje toevertrouwde: “Die goeie ouwe tijd, meneer? Dat-ie maar nooit mag terugkeren!” De man had gewoon gelijk’, schrijft landschapsarchitect en stedenbouwkundig onderzoeker Lörzing in zijn nawoord.

In de 36 voorgaande hoofdstukken over even zo vele jaren uit de periode 1945-2014 – niet ieder jaar kreeg een hoofdstuk – beschrijft hij gebeurtenissen als de aanleg van de miljoenste telefoon (1955), de opening van de eerste metrolijn in Rotterdam (1968), de doorbraak van internet (1996) en de opheffing van het verbod op godslastering (2014).

Lörzing schrijft uit de losse pols en put veelal uit zijn eigen herinneringen. Krachtige uitspraken en generalisaties schuwt hij niet. Zo weet hij zeker dat de jaren tachtig en negentig weinig heugenswaardige popmuziek hebben opgeleverd. Het best zijn de hoofdstukken over stedenbouw, een onderwerp waar Lörzing door zijn werk goed in thuis is.

Een van de betere hoofdstukken gaat over de grootscheepse sloop- en nieuwbouwplannen die in de jaren zestig en zeventig voor vrijwel alle (middel)grote steden werden gemaakt en deels ook werden uitgevoerd. Overal lieten stadsbestuurders zich meeslepen door de euforie over de radicale vernieuwing van Nederland. Toch noemt historicus Herman Pleij in Moet kunnen [2] nuchterheid als een van eigenschappen van Nederlanders.

In zijn zoektocht ‘naar een Nederlandse identiteit’ behandelt Pleij ook andere vermeende en werkelijke Nederlandse eigenschappen, zoals botheid, zuinigheid en de drang om ‘gewoon’ te zijn. Vaak gaat hij terug naar de Middeleeuwen om de oorsprong vast te stellen. Zo schrijft hij dat in de Lage Landen ‘het klimaat van gedogen, consensus en pragmatiek zich ook al over de adel uitstrekte in de late Middeleeuwen.’

In verschillende van zijn beschouwingen over de Nederlandse identiteit, presenteert Pleij verschijnselen die in tegenspraak zijn met de genoemde eigenschappen, juist als een bevestiging ervan. Zo ziet hij de hysterische rouw na de dood van André Hazes als de viering van de gewoonheid van de volkszanger én van de rouwenden zelf. ‘Nuchterheid als basisconditie wordt bevestigd door heftige emotionele taferelen in het openbaar.’

De lustfabriek [3], de geschiedenis van de Nederlandse porno-industrie, bevestigt een aantal van de door Pleij genoemde Nederlandse eigenschappen, zoals handelsgeest, neiging tot gedogen en tolerantie. Door de ‘moet kunnen’-houding kon Nederland bijvoorbeeld in de laatste decennia van de 20ste eeuw uitgroeien tot de grootste producent van dierenporno: seks met dieren was in Nederland niet wettelijk verboden. Pas toen in 2004 de ‘Utrechtse ponyverkrachter’ opdook en in Almere drie uit Afrika gevluchte vrouwen werden bevrijd uit een loods waar ze werden gedwongen tot seks met dieren, drongen politici aan op een verbod op ‘ontucht’ met dieren. Zes jaar duurde het voor de meerderheid van de Tweede Kamer het verbod aannam. De liberale VVD en het christelijke CDA, de partij van de boeren, stemden tegen.

De journalisten Robbert Ophorst, Marijn Schrijver en Roelof de Vries beschrijven een halve eeuw porno-industrie, van de import van Scandinavische seksboekjes in de jaren zestig tot de verspreiding van porno via internet, alsof ze zelf overal bij waren. Soms levert dit vermakelijke verhalen op. Zo moet de regisseur van de Nederlandse pornofilm Pruimenbloesem tijdens het filmen steeds het script herschrijven omdat bepaalde acteurs geen seks met elkaar wilden. Ten slotte raakt hij helemaal de draad kwijt.

De cabaretiers Remco Veldhuis en Richard Kemper bevestigen in Met de groeten van Veldhuis & Kemper [4], een bundeling columns, vooral de Nederlands gewoonheid van Pleij’s Moet kunnen. Veel van hun columns gaan over de dagelijkse beslommeringen van huisvaders, zoals het verzagen van een tafeltje. Om hun gewoonheid te benadrukken beschrijven ze zichzelf bovendien als klungelende klussers.