Enquêtes parlement als politieke selfies

Parlementaire enquêtes en – onderzoeken zijn de champions league van het parlementaire werk geworden. Zij bieden de mooiste tv-momenten, de beste scoringskansen. Zelden wordt de politieke controletaak van het parlement zo intensief beleefd. Deze maand presenteerden twee zulke commissies hun niet malse verslag. Waarom kan de Kamer de rest van het jaar niet vlammen?

Het gaat tegenwoordig vaak om onderzoeken naar wat er fout ging tussen Kamer en kabinet. Dat gold ook bij de laatste twee: naar het ICT-beleid bij de rijksoverheid, en die van donderdag, naar wat er mis ging bij de woningbouwcorporaties. In beide gevallen gaf de Kamer de regering ruimte om overheidswerk uit te besteden aan marktpartijen, die te vaak niet naar behoren leverden. Op beide terreinen zat het rijk er niet bovenop en liet de Kamer dat jaren toe.

Moderne parlementaire enquêtes hebben een hoog zelfkastijdingsgehalte. In de 19e eeuw, toen het middel tot ontwikkeling kwam, werden vooral vermeende maatschappelijke misstanden onderzocht. ‘De toestand van de zeemacht’ (begonnen in 1861) – kan nu voor de hele krijgsmacht worden herhaald. ‘Besmettelijke longziekte onder rundvee’ (1877) – een voorloper van de parlementaire enquête Q-koorts? ‘De toestand in fabrieken en werkplaatsen’ (1886) - het begin van arbeidswetgeving.

Na een enquête-sluimer van zestig jaar volgde de parlementaire enquête over het ‘Regeringsbeleid in de Tweede Wereldoorlog’ (1947-1956). Pas met de RSV-enquête (1983) kreeg het parlement de smaak te pakken. Met die naar het Paspoortproject (1988) werd de toon gezet van het zoeken naar schuldigen. De journalistieke behoefte aan een krachtige conclusie ging de politieke werkelijkheid bepalen. Aftredende bewindslieden, dat was mooi nieuws, desnoods voor falen in een vorige positie.

Van maatschappelijk onderzoek werd de enquête een afdaling in de krochten van het openbaar bestuur. Kamerleden ontdekten wat zij anders zelden te zien krijgen; zij zijn meestal opgetogen over de ervaring eindelijk eens dichtbij de werkelijkheid te komen. Ook al is dat vooral de bureaucratische werkelijkheid.

En daar zit precies de makke van het parlementaire onderzoekswapen zoals het zich heeft ontwikkeld. Reken maar dat de enquête die nu nog bezig is naar de Fyra-aankoop door de NS weinig reizigers en machinisten zal tegenkomen. Natuurlijk delen de commissieleden de wanhoop van velen dat de reis per trein naar België nog steeds per postkoets over de snelweg verloopt. (Ja, ik overdrijf, een Thalys-kaartje boeken kan ook, duurder en omslachtiger dan nodig zou moeten zijn) Maar hun onderzoek gaat over aanbestedingen, contracten, certificeringen – en waarschijnlijk niet over de haperende half-privatisering van de spoorwegen.

De Kamer is deel geworden van de bedrijfsmatige logica van de rijksoverheid. De zelfkritiek gaat er meestal over dat we als Kamer binnen die logica ons partijtje niet goed genoeg hebben meegeblazen. Welke enquêtecommissie zag kans die overmatige inbedding in het bestuur-dat-zich-bedrijf-waant aan te wijzen als fundamentele oorzaak van het falend parlementair toezicht? Er schiet geen voorbeeld te binnen.

Dat wil niet zeggen dat de laatste enquêtecommissies nutteloos werk hebben gedaan. Integendeel. Beide hebben bijzonder grondig onderzoek gedaan. De ICT-commissie heeft glashelder beschreven hoe ministers, vaak opgejaagd door de Kamer, geweldige ambities koesteren om overheidstaken te automatiseren. Dat varieert van toeslagen en uitkeringen, de werk.nl-website tot en met de tunnels in de A73 bij Venlo. In vrijwel alle stadia weet de overheid als opdrachtgever te weinig, wil te veel en houdt geen overzicht, met alle dramatische gevolgen van dien. De ‘volledig elektronische overheid in 2017’ blijkt een illusie.

Bij de sociale woningbouw stelt de commissie vast dat vrijwel zodra de CDA’er Heerma de sector met bruidsschat had verzelfstandigd in begin jaren ‘90 de excessen, die nu hebben geleid tot de enquête, zich al voordeden. De staatssecretaris greep snel in, zonder veel succes. Latere bewindslieden hadden uiteenlopende motieven om de woningbouwcorporaties erg vrij te laten. De ideologie van zelfregulering voor de een, van ondernemingsvrijheid voor de ander, uitruil van toezicht voor extra sociale taken voor de volgende. En dat in een instabiele periode met veel wisselingen van politiek personeel.

Het zijn geen geruststellende plaatjes. De remedie in beide gevallen is slimmer, krachtiger toezicht. Voor de overheidsautomatisering een Bureau ICT-toetsing (BIT) vlakbij de minister-president, als superdeskundige sluiswachter en badmeester. Voor de sociale woningbouw een Autoriteit woningbouwcorporaties die in de plaats komt van het versnipperde toezicht, dat faalde bij Vestia, Rochdale en de rest.

BIT is uitdrukkelijk bedoeld als tijdelijk paardemiddel, voor vijf à zeven jaar. De commissie hoopt dat wat in decennia is gegroeid, waar eerder al een Expertisecentrum voor kwam en verdween, nu zal genezen door een schoktherapie van talent en rijksbrede bevoegdheden. Een ambtelijke oplossing voor een bureaucratieprobleem. Meer centralisering waar de illusie dat er één rijksoverheid bestaat misschien wel een belangrijk onderdeel van het probleem is.

Bij de sociale woningbouw blijft vrijwel onbenoemd het ontbreken van de bewoner in wat begon als coöperaties van burgerinitiatief. Toch maar commercieel, maar nu sober en sociaal? Leve de al maar dominantere rijksoverheid met zijn mond vol decentralisatie. Naarmate de overheid minder autoriteit heeft, worden meer Autoriteiten in het leven geroepen.