Een ketting voor verdriet

Sieraden kunnen laten zien dat je in de rouw bent. Ontwerpers zoeken nieuwe vormen voor een oud ritueel. tekst Annemiek Leclaire

Zou het niet handig zijn als er opnieuw een rouwteken zou komen om te tonen dat je een verlies hebt geleden? Door zo’n symbooltje zou alles meteen duidelijk zijn. Je humeurige gedrag zou begrepen worden als teken van groot verdriet; voorbijgangers, collega’s en ouders op zwemles zouden je begripvol toeknikken. Iedereen zou extra aardig zijn, en dat maakt het leven van rouwende mensen er in ieder geval niet zwaarder op.

Een klein zwart rouwknopje op de kraag geprikt zou voldoende zijn.

Of: een gebroken hartje van goud op je revers na een scheiding.

Een ziekenhuisbedje van zilver na een rampzalige diagnose.

Het is nauwelijks voor te stellen hoe streng de voorschriften in de negentiende en een deel van de twintigste eeuw waren voor het tonen van rouw. Gewoon maar een zwarte jurk of een zwart pak aantrekken was niet genoeg. Er bestonden tabellen die aangaven wat geschikt was per graad van verwantschap en fase van rouw. Het recente verlies van je moeder toonde je anders dan de dood van je zwager, en die verschillen werden gemarkeerd door soorten stoffen en accessoires. Doorgaans stond voor ‘hele’ (of zware) rouw een jaar en zes maanden, en voor de ‘halve’ en ‘lichte rouw’ zes maanden, maar die voorschriften konden per gemeenschap verschillen. Kinderen kregen een zwart ruitje op de mouw genaaid.

Dit gedetailleerde rouwvertoon won aan kracht door Koningin Victoria, die na de dood van haar moeder en haar echtgenoot in 1861 uit piëteit met haar gestorven dierbaren besloot de rest van haar leven zwart te blijven dragen. Pathologische rouw, zouden we dat nu noemen. De uitbundige rouwkleding en -sieraden uit die periode zijn momenteel te zien in Death becomes her, de tentoonstelling die vorige week opende in het Metropolitan Museum of Art in New York.

Jankees Goud, als deskundige in streekdracht verbonden aan het Zeeuws Museum, herinnert zich ook het „rouwsluiten” uit zijn jeugd. „Als iemand stierf, gingen de luiken voor het raam, de vitrage werd afgehaald, de planten gingen uit de vensterbank, de overgordijnen werden dicht gedaan. Destijds was het ook gebruikelijk dat de klok werd stilgezet, en er een zwarte doek over de spiegel werd gegooid, uit vrees dat de ziel van de overledene door de spiegel zou kunnen terugkeren.”

In de jaren zestig gingen die formele regels voor de rouw, net als zoveel andere voorschriften, op de schop. Socioloog Cas Wouters, die de „informalisering” van de Nederlandse samenleving bestudeert, zoekt de reden in de „emancipatie van emoties”. De vroegere tekenen van rouw, de japonnen, sluiers, broches, gespen, waren volgens hem rituele symbolen voor emoties die niet geuit mochten worden. Direct uiting geven aan het gevoel werd gezien als zwakte. Toen praten over persoonlijk leed gewoner werd, konden de symbolen ervoor verdwijnen. Met als gevolg dat tekens van rouw bijna helemaal uit het openbare leven zijn verdwenen.

Dat maakt het rouwproces niet per se makkelijker. Wouters: „Rouwkleding kon destijds het verdriet tonen op een manier die sociaal aanvaardbaar was. Het gaf een persoonlijk houvast, met een therapeutische functie. Nu die beleving van de rouw persoonlijker en privater is geworden, stelt dat hoge eisen aan de zelfregulering van mensen.” Tegenwoordig ziet niemand meer iets aan je. Dat kan tot pijnlijke situaties leiden. Een kennis van Jankees Goud had haar baby verloren na een bijna voldragen zwangerschap. Een bekende, die haar op straat tegenkwam, riep uit: „Je bent al weer mooi slank! Wat is het geworden?”

Er is nu een zoektocht naar vormen voor sterven en rouwen die zeggingskracht kunnen hebben in een geseculariseerde en geïndividualiseerde samenleving. Allerzielen begint weer te leven, getuige ook de vele bijeenkomsten dit weekend, en ontwerpers zoeken naar vormen die persoonlijke emoties kunnen uitdrukken. Zo maakt Kirsten Spuijbroek (1981) hedendaagse rouwsieraden. Ze begon er tien jaar geleden mee na het overlijden van haar 27-jarige zus. Ze vond het gek dat niemand zag hoe het ging met haar. Ze begon met snoeren van in porselein gedompelde bloemen, en maakt nu onder meer gebreide colliers van geoxideerd zilver met een gouden gedenkplaatje voor de naam van de overledene, en hangers met de as van de overledene, gegoten in giethars aan een gouden collier.

Ontwerpster Marjolein de Groot (1990) ontwerpt rouwarmbanden van zacht speksteen met een vilten binnenkant. Ze exposeerde ze onlangs op de Dutch Design Week in Eindhoven. „Iedereen heeft het te druk voor de dood”, zei ze. „In het begin hebben mensen er nog wel aandacht voor, maar als de werkelijke rouwarbeid begint, is de aandacht van de omgeving weg.” Ze zocht naar een materiaal dat „mee kan transformeren door de diverse rouwfasen heen”. In de armband zijn sleufjes gevijld die uitnodigen tot draaien en wrijven; een troostende beweging bij verdriet. Als je dat maar lang genoeg doet, begint de steen te slijten, tot hij breekt, en dat is, volgens de 23-jarige studente, dan het teken dat het moment daar is om de overledene los te laten.