Dus geen kolencentrales meer

Henk Lagerweij, windmolenbouwer Foto Merlijn Doomernik

De grootste windmolen die Henk Lagerweij bouwt is iets hoger dan de Utrechtse Domtoren en iets korter dan de Maastoren in Rotterdam, het hoogste gebouw van Nederland. Maar als je de drie rotorbladen van 50 meter lengte meerekent, die op 135 meter hoogte rond hun as wentelen, kom je er riant bovenuit.

Op land en op zee investeert Nederland na decennia van talmen nu massaal in windenergie. Het bedrijf van Lagerweij (1954), dat na twee faillissementen in 2006 aan een derde leven begon, weerspiegelt precies de ups en downs van dertig jaar windenergiebeleid in Nederland. Grote molens, zoals Lagerweij’s 3 megawatt-turbines bij Lelystad, hebben de toekomst. Maar als hij in zijn Barneveldse hoofdkwartier over zijn levenswerk praat, regent het liefdevolle verkleinwoorden: wiekje, generatortje, molentje.

Een molentje, dat was de eerste molen die hij bouwde om elektriciteit op te wekken inderdaad. Lagerweij volgde de opleiding elektrotechniek aan de hts in Arnhem. Bij de novemberstorm van 1972 was het bos bij de boerderij van zijn ouders op de Veluwe veranderd in een mikadospel. „Ik zag opeens: wat een kracht zit er in die wind”, zegt hij. „Zou je die niet nuttig kunnen gebruiken?”

Achteraf gezien niet zo’n originele gedachte in het land dat al eeuwen met windkracht polders droog houdt, erkent hij. En toch gaf dat omgevallen bos de 18-jarige hts’er een idee dat nieuw was voor Nederland. Uit twee planken schaafde hij wieken, maakte ze vast aan een generatortje en zette het geval op een boomstam die hij van Staatsbosbeheer had gekocht. De generator koppelde hij aan de meterkast van de ouders van zijn vriendin. Zodra zijn molen liep, liep het stroomverbruik van hun huishouden terug. Na drie uur viel dat eerste molentje uit elkaar. Maar hij had zijn punt gemaakt. „Het werkte: je kunt stroom terugstoppen in het elektriciteitsnet.”

Met dat idee gebeurde heel lang bijna niets. Stroom uit wind was onrendabel; fossiele brandstoffen – kolen, gas – zouden veel goedkoper blijven. Windparken op zee, waar een enkeling over droomde, waren al helemaal luchtfietserij. „Ik dacht zelf ook: een beetje energie besparen is het meest haalbare”, zegt Lagerweij over die beginjaren. Zijn eerste turbines – hij had er inmiddels zijn vak van gemaakt – stonden vanaf de late jaren 70 dan ook alleen bij boeren en idealisten. Het was de tijd van ‘Atomkraft Nej Tak’ en De Kleine Aarde, bakermat van eco-tuinders.

Het kantelde in de nieuwe eeuw. Het besef dat fossiele energie eindig is, het broeikaseffect, en een paar grote technische sprongen hebben wind en zon een serieuze rol als energieleverancier gegeven. Al zou het nog tien jaar duren tot de Nederlandse regering er serieus werk van maakte. In 2023 moet 16 procent van alle energie duurzaam worden opgewekt, aldus het recente Energieakkoord. Er moet 7.000 megawatt – twee- à drieduizend turbines – bijkomen, waarvan de helft in windparken op zee.

Zelfs voor de grootste bedrijven zoals Siemens blijft ‘offshore’ een logistieke krachtproef. Voor Lagerweij is het sowieso te laat om daar nu in te stappen. Zeker, Nederland staat vol met Lagerweij-turbines. Op sommige, zoals de twintig jaar oude boerderijmolentjes – „driftige tweewiekers” – staat zijn naam nog steeds. Maar op heel veel andere molens staat een andere naam, sinds de boedel en zijn octrooien werden verdeeld. Hij bouwt sinds kort wel weer windmolens – Lagerweij heet nu Lagerwey Wind; de Griekse ‘y’ ligt beter in de internationale markt – maar moest helemaal opnieuw beginnen.

Twee keer alles kwijtraken, je zou er zuur van worden, maar Lagerweij is eerder zen. „Ik had niet gedacht dat ik nog een keer opnieuw zou beginnen”, zegt hij rustig. „Maar we hebben geleerd van het verleden en het ziet er nu weer goed uit.”

Degenen die zijn boedel overnamen hadden ‘Lagerweij’ kunnen heten, maar vonden dat de naam besmet was. „Ik redeneerde andersom”, zegt hij. „Ik kan bogen op mijn verleden, ik wilde mijn bedrijf weer mijn naam geven.”

Waarom ging u in 1985 failliet?

„Toen we begonnen, rond de ‘tweede oliecrisis’ van 1979, leek alternatieve energie een uitkomst. Olie was duur, de dollar ook. Maar een paar jaar later zakten de olieprijs en de wisselkoers in. En olie gaat in dollars. Een kilowattuur uit gas – dat de olieprijs volgt – kostte bijna niets meer. Daar viel niet tegenop te concurreren met een windmolen.”

U ging opnieuw failliet in 2003.

„De regering ondersteunde de markt een tijdje met investeringsaftrek. Maar niet in de energieprijzen. Elk energiebedrijf bepaalde zelf wat het betaalde voor teruggeleverde stroom uit wind. Rond 1995 mochten bovendien geen nieuwe molentjes meer bij boeren worden geplaatst. Die markt viel helemaal weg. Ik ben nog naar India gegaan, een opdracht voor 200 turbines, maar halverwege had de opdrachtgever geen geld meer. Toen hebben we twee jaar naar adem lopen happen. Vanaf 1999 hebben we geprobeerd met grotere molens te komen, maar die waren te laat klaar voor de markt. We hebben het eenvoudigweg niet gehaald.”

En in 2006 begon u aan uw derde leven als turbinebouwer.

„Ja, en dat was niet de bedoeling. Ik was met drie compagnons opnieuw begonnen, als ingenieursbureau. Alleen ontwerpen maken. Er was vraag naar onze expertise uit de hele wereld.

„Ik had me voorgenomen nóóit meer een voet in India te zetten, maar toch hebben we daar een licentie verkocht. Voor een 2 megawatt-turbine die nog ontworpen, gebouwd en gecertificeerd moest worden. Dat zou nog twee jaar duren. Maar dat was geen probleem, want de markt was gloeiend heet en levertijden voor bestaande turbines van onze concurrenten waren al drie jaar. India heeft keurig vooruitbetaald. Het was de beste deal die we ooit gedaan hebben. Het heeft ons weer op de kaart gezet.”

Is Nederland nu ‘om’ voor windenergie?

„Sinds kort is er een gegarandeerd ‘teruglevertarief’. Molens zijn beter en gaan langer mee. Dat betekent zekerheid. Klanten (en de bank) kunnen uitrekenen of een turbine rendabel wordt. Maar echte visie zou zijn: geen kolencentrales bijbouwen, zoals in de Eemshaven en op de Maasvlakte, maar erkennen dat het onvermijdelijk is naar duurzame energie over te stappen en daarnaar leven. Kolen zijn nu goedkoop, maar het drukt de stroomprijs en de CO2-vervuiling zit er niet in verdisconteerd. De enige visie hier is dat de markt vrij moet zijn.”

Geldt dat ook binnen uw sector?

„Om te overleven heb je ook een goede thuismarkt nodig. Die is op en neer gegaan en er is veel concurrentie, van Duitsers en Denen. We worden niet gespaard, zullen we maar zeggen. In Denemarken staat niet één buitenlandse molen. Duitse bedrijven worden goed beschermd door het federale systeem. Maar Nederland kijkt alleen naar de prijs.”

Toch heeft de Deense voorsprong ook een andere reden: stroom uit wind is er altijd al belangrijk geweest, omdat de Denen serieus werk maakten van minder uitstoot, en omdat kernenergie na ‘Tsjernobyl’ onbespreekbaar was.

In Denemarken met 6 miljoen inwoners staat nu 5.000 megawatt aan windvermogen, goed voor 41 procent van de elektriciteitsproductie. In Nederland (17 miljoen inwoners) nog geen 3.000 megawatt, goed voor zo’n 5 procent. In dat klimaat konden Deense turbinebouwers als Vestas en Bonus groot worden en wereldwijd hun vleugels uitslaan, ook in Nederland.

En in die markt is Lagerweij nu terug met de molen die hij dankzij India kon ontwikkelen. Het is het enige model dat Lagerweij nu bouwt. Eerst in kleine aantallen en die staan nu vijf jaar. Volgend jaar bouwt hij er twintig in Finland.

Dit type heet direct drive. In veel andere molens zit een tandwielkast. Dat betekent: extra onderdelen, slijtage, olieverbruik, meer onderhoud. Een direct drive-molen is een grote, langzaam draaiende fietsdynamo met de as als enige bewegend onderdeel. Geen tandwielen, geen olie, koeling met buitenlucht. Lagerweij en een Duits bedrijf waren vanaf 1995 de pioniers.

Maar techniek is darwinistisch. In de beginjaren probeerde iedereen van alles: twee- en driebladige rotors, turbines met een horizontale as en de gondel met generator bovenin de mast, of een verticale as en de generator op de grond. Wieken met vleugeltips, ‘vaste’ wieken, en verstelbare wieken om de krachten op de molen bij harde wind te temperen. „Je weet nooit van tevoren wat eruit komt”, zegt Lagerweij. En ja, direct drive kan voor grote turbines de norm worden. „Maar het is net als met auto’s: er zullen altijd fabrikanten blijven die bij achterwielaandrijving zweren.”

Techniek geeft niet langer alleen de doorslag. De concurrent bouwt masten in beton, of last stalen cilinders op elkaar. Maar die hebben een maximale doorsnee van vier meter, anders kunnen ze niet op een vrachtwagen onder een snelwegviaduct. Lagerweij bedacht iets anders: de ‘modulaire mast’. Zijn cilinders bestaan uit een willekeurig aantal segmenten die ter plekke in elkaar worden geschroefd. Daarmee kun je zo hoog bouwen als je wilt – hoe hoger, hoe meer wind er is – en er is geen maximale diameter. Cruciaal: het vervoer van de segmenten kost een fractie van het aantal vrachtwagenritten dat je bij kant-en-klare cilinders nodig hebt. „De techniek raakt uitontwikkeld, logistiek maakt nu het verschil”, grijnst Lagerweij.

Hebben zon en wind nu de toekomst?

„Zonnecellen leveren niet bij weinig zon en windenergie kun je niet goed opslaan. Het meest elegant gebeurt het in Scandinavië. Deense windenergie wordt gebruikt om water in Noorse stuwmeren te vullen. Als er geen wind is, laat je het meer leeglopen om stroom te maken. Ook hier moeten manieren gevonden worden om energie op te slaan, en dat zal ook gebeuren.

„De andere vraag is hoe je de stroom distribueert. We gaan straks elektrisch rijden. Maar wanneer moet je de accu’s opladen? Als het ’s nachts waait is het slimmer om het dan te doen en niet om zes uur ’s avonds als je thuis komt. Zo’n slim distributienet – smart grid – moet zich nog helemaal uitkristalliseren.”

Het draagvlak voor al die nieuwe turbines op land lijkt gammel.

„Er zijn genoeg plaatsen waar al vijftien jaar molens staan die volkomen zijn geaccepteerd. Mensen daar willen vaak opschalen, en dat mag niet van de provincie. Die bepaalt dat er op een andere plek een nieuw park komt, waardoor je daar weer nieuwe boosheid oproept die weer gemanaged moet worden. Dat speelt nu in Noord-Holland en Friesland. Ik zou zeggen: gebruik de bestaande bestaande plaatsen waar molens staan en breidt die wat uit. Niemand ziet het verschil tussen een turbine van 1 of van 3 megawatt. Windenergie zou van onderop moeten komen.”