De stad na de moord: wij tegen zij

‘Dat Theo dood is, dat komt door jullie”, roept een voorbijganger tegen Pieter Hilhorst. Het is dinsdagochtend 2 november 2004. Hilhorst, dan columnist van de Volkskrant, is al de hele ochtend op de plek waar Theo van Gogh is vermoord. De informatie sijpelt langzaam door. „Wij linkse klootzakken hadden het gedaan”, zegt Hilhorst nu. „Dat was een beetje de stemming toen.”

Later die dag gaat diezelfde Hilhorst naar zijn huis, een paar honderd meter verderop. Een jongen van Marokkaanse afkomst loopt voor hem uit, hoort hem en draait zich geschrokken om. „Het is eng deze tijd”, zegt hij, opgelucht dat het loos alarm is. „Ik ben geen terrorist, man. Ik ben gewoon een crimineel. Ik ben ontzettend geïntegreerd. Ik kom altijd bij witte mensen thuis om ze cocaïne te bezorgen.”

Iedereen had die dag in Amsterdam wel een reden om op zijn hoede te zijn, en Marokkaanse Amsterdammers in het bijzonder. De dader was namelijk een radicale moslim van Marokkaanse origine. Met een mes had Mohammed B. een brief gestoken op het ontzielde lichaam van de filmmaker en islamcriticus. De vriendin van Hilhorst had hem bijna aangereden toen hij met zijn wapperende gewaad over het kruispunt was weggerend.

Tien jaar na de eerste moord met terroristisch oogmerk in Nederland, is de spanning over de radicale islam slam terug. De opkomst van IS en de aantrekkingskracht van de oorlog in Syrië op jonge moslims roepen de tijd na de moord op Van Gogh in herinnering. De vraag is wat Nederland heeft geleerd van die crisisperiode.

Aangeslagen agenten

Bernard Welten begint aan zijn tweede dag als hoofdcommissaris van politie als hij te horen krijgt dat Van Gogh is vermoord. Zijn agenten hebben geschoten en zijn beschoten. Welten stapt onmiddellijk in zijn auto naar Amsterdam-Oost. Hij spreekt zijn aangeslagen agenten en gaat naar de plek waar Van Gogh het leven heeft gelaten. Ondertussen staan alle lijnen open. „Ik wil op zo’n moment van mijn mensen weten wat er speelt. Wat horen en zien zij? Hoe taxeren ze de situatie?” De stad lezen, noemt Welten dat.

Hilhorst herinnert zich de bijna onafgebroken gesprekken van die ochtend met bezorgde vrienden, aangeslagen buurtbewoners en boze burgers. „De sfeer was explosief”, zegt hij precies tien jaar later op precies dezelfde plek. De Egyptenaren die de snackbar even verderop runden, werden op de daad aangesproken – dat waren koptische christenen. Een week later, vertelt Hilhorst, mocht een van zijn bijlesleerlingen de deuren niet langs voor Sint Maarten. Het meisje kwam uit een Marokkaans gezin en haar moeder was bang dat ze agressief zou worden bejegend.

In de Linnaeusstraat groeit die dinsdag, naast de plek waar Van Gogh werd doodgeschoten, een monument van bloemen, waxinelichtjes, pakjes sigaretten en briefjes. De held van de Amsterdamse grachtengordel, blijkt ook de held van de gewone Nederlander die moeite heeft met de multiculturele samenleving.

Woede en haat in de stad

De avond van de moord werd een ‘lawaaiwake’ georganiseerd op de Dam. Zo kregen Amsterdammers de gelegenheid hun woede en angst van zich af te schreeuwen. Na wat gesteggel was ook minister van Integratie Rita Verdonk uitgenodigd. Ine van Brenk, destijds beleidsambtenaar veiligheidszaken bij de gemeente Amsterdam, stond met verbazing toe te kijken op de Dam. VVD-minister Verdonk kreeg de sympathie van de demonstranten, burgemeester Cohen werd in eerste instantie uitgefloten. „Er was woede en haat in de stad”, zegt Van Brenk nu. „Het was voor het eerst dat ik me realiseerde hoeveel mensen moeite hadden met de multiculturele samenleving en met de linkse verdedigers daarvan. Mensen voelden zich niet meer thuis in wijken waar veel moslims woonden. Dat sentiment had ik gemist.”

De moord op Van Gogh was de nachtmerrie die het stadsbestuur en het politiekorps van Amsterdam al hadden gevreesd. De stad is een lappendeken van nationaliteiten, culturen en gezindten – toen net zo goed als nu. Meestal leeft dat in min of meer vrolijke onverschilligheid samen. Maar de breukvlakken liggen altijd onder het oppervlak en die kunnen in crisistijd scheidslijnen worden. Tweeënhalf jaar eerder was Pim Fortuyn vermoord en kruiste men de vingers: als het maar geen moslim is. Dit keer was het wel een moslim en moesten alle zeilen worden bijgezet om de vrede in de stad te bewaren.

Ine van Brenk, tot dit jaar raadslid voor GroenLinks in Landsmeer, zat in de auto op weg naar het stadhuis toen ze werd gebeld. „Het was meteen duidelijk dat Van Gogh niet toevallig was doodgeschoten”, zegt ze. Op het stadhuis liep ze meteen burgemeester Cohen tegen het lijf. „Normaal gesproken gaan wij naar hem, nu kwam Cohen naar ons toe. Wat moesten we doen? Op zo’n moment moet je de rust bewaren, of liever: de paniek beheersen.”

Dat is het moment waarop gemeente en politie in Amsterdam grijpen naar het Draaiboek Vrede. Het is een protocol waarbij iedere buurtregisseur (zeg maar wijkagent) contact maakt met mensen die in zijn of haar buurt invloedrijk zijn. Die buurtregisseurs hebben in ‘vredestijd’ geïnvesteerd in deze contacten. Ze moeten „bij wijze van spreken tot op Spuistraat 84b weten wie daar woont en wat voor iemand dat is”, zegt Welten.

De impliciete afspraak van het Draaiboek Vrede, zegt Welten, is: ik als politieman maak jou, burger van Amsterdam, medeverantwoordelijk voor het bewaren van de vrede in de stad. De contacten van de politie lopen zo tot in „de haarvaten van de samenleving”. Volgens de meeste betrokkenen heeft die aanpak een belangrijke rol gespeeld bij het daadwerkelijk bewaren van de vrede in die dagen. Net als de centrale lijn die Cohen als burgemeester aanhield: de boel bij elkaar houden.

Wij Amsterdammers

Jeroen de Lange leidde in die tijd de staf van de gemeentesecretaris en kreeg diezelfde dag de opdracht een notitie te schrijven. De Lange, opgeleid als ontwikkelingseconoom en antropoloog, gebruikte zijn ervaring als diplomaat in het door burgeroorlog verscheurde Rwanda en schreef in een week tijd Wij Amsterdammers, waarin een speciale eenheid voor de aanpak van radicalisering werd voorgesteld, maar ook een programma om discriminatie bij disco’s tegen te gaan. Centraal stond de identificatie met de stad. „Als er mensen in de stad wonen die vinden dat ze geen Nederlander zijn, laten we er dan in hemelsnaam voor zorgen dat ze zeggen: ik ben Amsterdammer.”

Die lijn, zegt Ahmed Marcouch, gaf mensen zoals hij „een slinger de goeie kant op”. Marcouch werkte als coördinator jeugd en veiligheid in de stadsdelen Oost en Zeeburg en was ook woordvoerder van de Unie van Marokkaanse Moskeeorganisaties Amsterdam – waar hij als relatief jonge moslim voor vernieuwing moest zorgen. „Ik moest de bestuursleden uitleggen dat Theo van Gogh niet de museum-Van Gogh was. Ik heb verteld wat hij zoal had gezegd en waarom hij was vermoord.”

De lijn van ‘Wij Amsterdammers’ vat Marcouch samen als: „Vrijheid is van ons allemaal, we laten ons niet uit elkaar spelen door extremisten. ‘Wij’ zijn de mensen die voor onze vrijheden staan. ‘Zij’ zijn de mensen die ze ons willen afnemen. Dus wij/zij is niet: atheïsten tegen moslims, maar vrijen tegen onvrijen. Cohen was de belichaming van dat ‘wij’.”

Het ambtenarenteam van Wij Amsterdammers organiseerde „allemaal snelle acties”, zegt De Lange. Een fietstocht van Marokkaanse jochies met borden ‘Wij zijn tegen terreur’. Buurtiftars: Nederlanders, eet eens mee met je buren. Er is, zeggen Marcouch en toenmalig wethouder Hannah Belliot, ook veel geld gestopt in dingen waarvan de effectiviteit moeilijk te meten viel. Vooral de welzijnssector profiteerde. „Deskundigen mochten gaan beunhazen met multiculti-cursusjes.”

Maar het „meegaan in de emotie van de stad”, zoals Belliot het uitdrukt, had wel succes. Die weken werden in Nederland meer dan honderd incidenten gemeld bij moskeeën en islamitische scholen, van bekladding tot brandstichting. „En in Amsterdam”, vraagt commissaris Welten retorisch. „Nul!” Pieter Hilhorst schreef die zaterdag in de Volkskrant een stuk over de veerkracht van Amsterdam onder de kop ‘De stad brandde niet’. Het vredesdividend van de buurtregisseurs en de burgemeester had zich uitbetaald.

Koerszoekend leiderschap

Tien jaar na dato is de spanning terug. De oorlog rond Gaza, de zegetocht van IS; de gebeurtenissen van het afgelopen half jaar hebben hun weerslag gehad op Nederland en Amsterdam. Burgemeester Van der Laan telde in de zomer zo’n dertig incidenten. In Oost werd een brandend voorwerp gegooid naar een balkon waar de Israëlische vlag overheen hing. Bij pro-Palestijnse demonstraties werd de ISIS-vlag gevoerd en de Hitler-groet gebracht.

De meeste speciale projectteams van 2004 zijn allang ontmanteld, de post ‘Wij Amsterdammers’ werd op de begroting voor dit jaar „geheel onttrokken en opgeheven”, en de zorg om het bij elkaar houden van de boel is „in de lijn gegaan”, zoals dat in het jargon heet: overgedaan aan gewone ambtelijke afdelingen.

Het lijkt erop dat burgemeester Van der Laan in het „koerszoekend leiderschap” – de term komt van Bernard Welten – rond het thema radicale moslims een paar graden van de koers van Cohen is afgeweken. Bij Cohen stond het woord ‘verbinding’ centraal, voor Van der Laan is dat ‘bescherming’.

Aissa Zanzen, bestuurslid van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders, vertelt een anekdote om de houding van Cohen te karakteriseren en impliciet het verschil met diens opvolger aan te geven. In 2008 bracht PVV-leider Wilders Fitna uit, een gefilmde provocatie tegen de islam. De moslimgemeenschap reageerde alsof er niets was gebeurd, welbewust. Zanzen gaf met enkele organisaties de dag erna een persconferentie in een Amsterdamse moskee. „We zouden om elf uur beginnen. Om tien uur kwam burgemeester Cohen even langs. Onaangekondigd, en hij was voor elf uur alweer weg. Hij kwam alleen om ons een hart onder de riem te steken. Je kunt je niet voorstellen hoe waardevol dat is.”

Dat ziet Zanzen burgemeester Van der Laan niet doen. „Het lijkt wel of hij ons niet vertrouwt.” Een incident van een paar weken geleden sterkt hem in die mening. Van der Laan intervenieerde toen debatcentrum Argan, zeg maar de Balie voor jonge moslims, een discussieavond wilde organiseren over radicalisering. Voor dat debat was onder meer Okay Pala uitgenodigd, voorman van Hizb ut Tahrir, een zeer orthodox-islamitische organisatie die streeft naar de vestiging van een islamitische staat. Van der Laan ontraadde die bijeenkomst en wees de organisatie en passant op de 304.230 euro aan subsidie die ze van de gemeente ontvangt.

Tegenover een zeer kritische gemeenteraad zei Van der Laan dat het veelal jonge publiek in Argan te kwetsbaar en te gevoelig zou zijn voor de uitlatingen van Pala. In de Balie, zei hij, zou zo’n debat nog wel kunnen. „Kennelijk vertrouwde de burgemeester er niet op dat ik Pala voldoende weerwoord zou geven”, zegt Zanzen, die ook was uitgenodigd.

Burgemeester Van der Laan, deze weken op handelsreis in China, laat via zijn woordvoerder weten dat „een platform bieden aan een man die in gedachtegoed in dezelfde categorie thuishoort als IS, haaks staat op alle pogingen die de gemeente doet om radicalisering te bestrijden en jongeren weerbaar te maken, bijvoorbeeld door de inzet van sleutelfiguren.”

Saillant detail: Van der Laans partijgenoot Pieter Hilhorst, tot begin dit jaar nog wethouder in Amsterdam, zou het debat leiden. Hij vindt de interventie van de burgemeester onverstandig. „De gemeente wil Hizb ut Tahrir geen podium geven. Maar via internet zorgen zij allang voor hun eigen podium. En daar worden ze nooit tegengesproken. Dat zou in dit debat wel zijn gebeurd; juist zo wordt radicalisering tegengegaan. Dit is een gemiste kans.”

Niet in onze naam!

Cohen zag het belang van de religieuze infrastructuur in de stad, zegt Marcouch. Religie was onderdeel van het Draaiboek Vrede, zegt Welten. We gebruikten de moskee als bestuurlijk partner, zegt Belliot. Van der Laan kijkt daar anders naar, zegt zijn woordvoerder. „Hij komt misschien minder in moskeeën dan Job Cohen deed, maar dat wil niet zeggen dat hij niets doet.”

Naast zijn „stevige beleid” om escalatie rond demonstraties te voorkomen, heeft Van der Laan deze zomer veel gesproken „met vertegenwoordigers van de Joodse en de islamitische gemeenschap in Amsterdam. Daarbij is doelbewust niet alleen gezocht naar gesprekspartners uit de oude netwerken en vertegenwoordigers van de moskeeën, maar juist gekeken naar nieuwe netwerken en naar plekken waar radicaliserende jongeren bereikt kunnen worden.” Hij wijst erop dat het Draaiboek Vrede nu weer actief is. Om de paar graden verschil met zijn voorganger aan te duiden: „Deze burgemeester zal eerder religieuzen inzetten dan religie.”

Aissa Zanzen heeft het idee dat Amsterdam een landelijke lijn volgt. Kenmerkend is voor hem de intrekking van de Wet overleg minderheden in 2012, waarin het overleg met organisaties van minderheden was geregeld. Rutte I, met gedoger PVV, wilde er vanaf en Rutte II, met de PvdA, heeft de wet ingetrokken. „Het signaal is: wij vinden de opvattingen van minderheden niet zo belangrijk”, zegt Zanzen. Hij heeft de organisaties van minderheden zien afbrokkelen – „dat is mijn grootste zorg.”

„De PvdA heeft onder Samsom, Spekman en Asscher een harde lijn getrokken”, zegt Jeroen de Lange, die tot de verkiezingen van 2012 voor de PvdA in de Tweede Kamer zat. „Maar je hebt die softe interface nodig. Je moet coalities kunnen smeden in de samenleving. Als morgen een aanslag wordt gepleegd op het Centraal Station, dan wil je dat overmorgen de Dam vol staat met Amsterdamse moslims die scanderen: ‘Niet in onze naam!’ Maar wie organiseert dat? Wie gaat die mensen bellen? Wat denkt een moslim als Van der Laan belt? ‘Ja, nu hebben jullie mij ineens wel nodig’.”

Coalitie van onverdraagzamen

Pieter Hilhorst ziet als de belangrijkste les van tien jaar geleden: zoek bondgenoten. „Wie zijn de eerste slachtoffers van radicaliserende jongeren? Hun zusjes, moeders en buurmeisjes. Die moet je steun bieden en in je netwerk krijgen. Dan krijg je signalen waar je wat aan hebt als het fout gaat.”

Het tegenovergestelde dreigt, zegt Hilhorst. „Er is nu een coalitie van onverdraagzamen: Geert Wilders en de jihadisten vormen zo’n antagonistische coalitie. Zij staan recht tegenover elkaar en zijn het tegelijkertijd met elkaar eens dat er maar één islam is: de radicale islam.”

Hilhorst is ervan overtuigd dat de culturele verschillen in de stad niet het echte probleem vormen. Dat zijn de sociaal-economische verschillen en mensen die zich afkeren van de samenleving. „Daarom hamer ik meer op participatie.” Oud-wethouder Belliot sluit zich daarbij aan. „Er is een enorme kloof tussen werkenden en werklozen en die laatste zijn vaker de nieuwe Amsterdammers.” In stadsdeel Zuidoost, met een grote meerderheid van niet-Nederlandse origine, stroomt volgens Belliot 75 procent van de basisschoolleerlingen door naar het vmbo. „In Zuid gaat 75 procent naar het vwo.” Amsterdam, zegt ze, is „etnisch, religieus en sociaal-economisch meer gesegregeerd dan tien jaar geleden”.

Gebrek aan perspectief jaagt gekleurde Amsterdammers naar vluchtheuvels, zegt Belliot. „Moslimjongeren zoeken religieuze troost. Amsterdammers met Surinaamse of Afrikaanse achtergrond hebben van de emoties rond zwart-zijn een eigen religie gemaakt. Het helpt hen geen steek verder.”

Oud-ambtenaar Ine van Brenk constateert iets soortgelijks in de slechte buurten waar Mohammed B. opgroeide. „Er zijn stukken waar de huizen slecht zijn, scholen in verval raken en de omgeving verpaupert. Iedereen die kan, trekt weg. De achterblijvers zijn arme, autochtone Nederlanders en arme migranten, vaak moslims. Zo komen die groepen tegenover elkaar te staan terwijl hun problemen dezelfde oorzaken kennen: armoede, slecht onderwijs, abominabele huisvesting en geen perspectief op werk. Je kunt van alles doen tegen radicalisering maar dat helpt niet als je deze problemen niet structureel oplost.”

Hannah Belliot: „Cohen is de goedheid zelve hè. Maar we hadden misschien iets meer realiteitsbesef moeten hebben. We hadden moeten weten dat de oplossing niet louter van communicatie kan komen. Van slogans als ‘Groet u uw Turkse buren’ Of: ‘Jouw God is ook een goede God’.”