De kosmos is de uitgestrekte achtertuin van de minuscule planeet aarde

De eerste bladzijden maken het meteen duidelijk. Dit is een boek om je aan te verlekkeren. Een boek vol schitterende platen. Neem de zwierige, gekrulde figuur die naast het voorwoord staat. Alsof iemand met een sierlijke beweging een scheut siroop door een bord yoghurt heeft geroerd. Alleen is deze yoghurt fluwelig zwart en is de gloeiende gekrulde figuur erin reusachtig: het zijn twee sterrenstelsels die door hun onderlinge zwaartekracht vervormd worden. Een roos op een steel ziet wetenschapsjournalist Govert Schilling in de gracieuze en majestueuze verzameling sterren.

Deep Space is Schillings vijftigste boek. Het verscheen deze week, tegelijk met een Amerikaanse editie (bij Black Dog & Leventhal). Schillings eerste boek, Blik op oneindig, kwam in 1986 uit. Dat jaartal toont hoe productief Schilling is; de titels verraden zijn hartstocht. Schilling is verslingerd aan dat eindeloze heelal waarover zo eindeloos veel te vertellen is.

De manier waarop hij dat in Deep Space doet, was dertig jaar geleden niet mogelijk geweest. Toen hadden de Hubble-ruimtetelescoop (gelanceerd in 1990) en de Very Large Telescope in Chili (opgeleverd in 2000) hun blik nog niet gericht op verre sterrenstelsels, uitgestrekte sternevels, kometen, planeten, supernova’s, pulsars enzovoorts. De schitterende opnames „spreken misschien wel net zoveel tot de verbeelding als een Rembrandt of een Van Gogh”, schrijft Schilling enthousiast.

In Deep Space heeft Schilling de platen dus de prominentste plek gegeven. Ze dragen het verhaal van de kosmos, en dat is natuurlijk óók het verhaal van de minuscule planeet aarde. Zelfs in ons eigen zonnestelsel is de aarde onooglijk klein: de zon neemt 99 procent van alle massa in het zonnestelsel voor rekening. In Schillings woorden: de aarde is er als een zandkorreltje op de rand van een vulkaan.

Op dat ‘zandkorreltje’ wemelt het dan wel van het leven en als je Deep Space doorbladert, weet je eigenlijk niet wat verbazingwekkender is. Die uitgestrekte ‘achtertuin’ van de aarde, die zoveel koele schoonheid en diepe raadsels in zich bergt. Of dat het één van die levensvormen op aarde, de mens, in toch zo korte tijd gelukt is om in die achtertuin 50 triljard sterren te tellen; om die in sterrenstelsels gerangschikte sterren tot op zekere hoogte te analyseren; en om over de evolutie van die gigantische structuur van sterrenstelsels een samenhangend verhaal te vertellen.

Schilling heeft oog voor beide facetten. Hij benadrukt de ‘menselijke kant’ als hij bijvoorbeeld de tekeningetjes van maankraters toont die Galileo Galilei aan het begin van de zeventiende eeuw maakte na door een van de eerste sterrenkijkers getuurd te hebben, en als hij dan daarnaast een grote plaat zet van Nasa’s Marskarretje Curiosity dat tegenwoordig fotograferend en – soms gravend - op Mars rondrijdt.

De imponerende schoonheid van de kosmos springt juist in het oog als Schilling platen toont zoals van de Orion-nevel (1.350 lichtjaar van de aarde verwijderd) waarin uit woest gloeiend gas en stof nieuwe sterren geboren worden. En passant strooit Schilling in zijn luchtige teksten met feiten – namen, jaartallen, afstanden, aantallen – die al die hemelse objecten hun plek in het duizelingwekkende verhaal van de kosmos geven.

Het boek eindigt met een steratlas van alle sterren die vanaf de aarde met het blote oog te zien zijn, getekend door astrocartograaf Wil Tririon. Ze maken deze ‘vogelvlucht door de kosmos’ compleet, en een betere ambassadeur voor hun werk dan de toegankelijk schrijvende Schilling kunnen astronomen zich al met al niet wensen.