Dank Muhammad

De herinnering had het druk, deze week. Wel mooi, al blijft het een wonder dat ze veertig jaar standhoudt. In beeld en geluid. Afgelopen donderdag was het veertig jaar geleden dat in Kinshasa The Rumble in the Jungle plaatsvond. De historische bokswedstrijd tussen Muhammad Ali en George Foreman. Het Zaïre van Mobutu Sese Seko – nu Congo – was de ideale locatie voor The Fight of The Century. Enthousiaster en blijer dan in de Cité van Kinshasa kom je de medemens niet tegen. Ze dansen je tegemoet, terwijl ze meer wanhoop dan eten hebben. Ook het regime van president Mobutu was een perfect platform voor de illustere wedstrijd: grootheidswaanzin, corruptie, maar ook naïeve generositeit. Een tijd later zou Mobutu tijdens een interview zeggen: „Op die 30ste oktober 1974 was er nog een andere strijd: die tussen de charisma’s van Ali en Mobutu.”

De openingsceremonie op de Olympische Spelen van Atlanta. Gladys Knight zingt het hartverscheurende Georgia on my mind. Hoog in de nok van het stadion houdt Muhammad Ali de fakkel klaar waarmee het olympische vuur zal worden aangestoken. De hand van waaruit honderden mokerslagen zijn vertrokken beeft. Parkinson. Dan glijdt de camera langs zijn gezicht en zie je de weergaloze glans van een oude viool, nauwelijks een rimpel. Niet eerder was ik meer ontroerd dan die avond in Atlanta.

Kinshasa was nog binnenland voor Belgen, althans zo voelde dat. Het gevecht om de wereldtitel maakte dus deel uit van de sportcanon. België is geen boksland, maar na die nacht had Muhammad Ali tot in volkse krochten de status van Rik Van Looy en Eddy Merckx bereikt. Emotioneel genaturaliseerd.

Mijn generatie is opgegroeid met de heroïek van Martin Luther King en Cassius Marcellus Clay. Het was moeilijk kiezen tussen die twee, want de bokskampioen was al even onwrikbaar in zijn emancipatiestrijd voor zwart Amerika. Hij was de echte soixante-huitard, overzee dan. In de salons van Parijs waar de wereld heruitgevonden werd, danste het fenomeen mee in de dialectiek. Om het met Juliette Gréco te zeggen: „Hij was de balletdanser van ons geweten.”

Reeds in zijn sportieve jaren werd Muhammad Ali alom verliteratuurd. Een van de mooiste zinnen werd opgeschreven door A.J. Liebling: „Muhammad was als een kei die over het water scheert.” Of met de woorden van de Nigeriaanse dichter Wole Soyinka na het laatste gevecht: „… de leeuw heeft zich teruggetrokken in tijd en ruimte. Even ontoegankelijk als de gewijde voering van een koningskroon. De betovering is verbroken, maar de bekoring blijft.”

Hugo Claus, zelf ooit bokser, sloeg iedere vorm van aanbidding van zich af, maar voor Muhammad Ali ging hij op de knieën. Als was híj de heerser over ritme en rijm.

Het leven van Muhammad Ali was een epos van strijd, in en buiten de ring. Naast zijn atletische schoonheid was er zijn humanitaire karaat. Tegen de oorlog in Vietnam, tegen racisme, tegen de hoogmoed van het christelijke stalinisme. Meer dan welke geletterde verdiende hij een doctoraat in massapsychologie. Academicus met bokshandschoenen, soms ook wel eens brallend. Moslim geworden.

Hoeveel geluksmomenten hou je aan het eind van een leven over? Een liefde, een boek, het doelpunt van Marco van Basten in ’88, zeker Muhammad Ali….

Het gaat niet goed met hem. Bijna dagelijks vraag ik me af of hij er morgen nog zal zijn. Op deze Allerzielen is de herinnering reeds halvelings omzoomd met chrysanten van het kerkhof. Maar ook uit het slagveld van doodsbloemen rijst Muhammad Ali onverminderd op met de kracht van terechtwijzing.