Blij in Warschau, boos in Boedapest

Hongarije leek in 1989 klaar voor een succesvolle overgang naar democratie en welvaart. Het werd een deceptie. Het armere Polen deed het veel beter. Waarom?

Foto’s Reuters/ AP

In Warschau herinnert vrijwel elke straathoek aan de weg die het land heeft afgelegd. Zakenman Waldemar Maj kijkt door het raam van een cappuccinobar naar een grijze communistische blokkendoosflat. „Vijfentwintig jaar geleden waren we nog niet zo verschillend van Oekraïne. Nu mogen we onszelf gelukkig prijzen in elk opzicht.” De voormalige dissident verspreidde ooit samen met president Bronislaw Komorowski bibula: clandestiene publicaties, gedrukt op papier van lage kwaliteit (bibula betekent toiletpapier). Nu ziet hij dat zijn land een werkende democratie en een economisch succesverhaal is. „We zouden elke dag naar de kerk moeten gaan om ‘dank u’ te zeggen.”

Polen, dat in 1989 een arm, onttakeld land was, krijgt tegenwoordig buitenlandse lof toegezwaaid voor zijn vooruitgang. Uit onderzoek van het Amerikaanse Pew-instituut bleek dat ook het aantal Polen dat blij is met de omschakeling naar democratie tussen 1991 en 2009 steeg van 66 naar 70 percent. Opmerkelijk, want bij de omwenteling werd het niet getipt als grootste kanshebber op succes. In tegenstelling tot Hongarije, waar dictator Janós Kádar na de opstand van 1956 een minder repressieve vorm van communisme gecreëerd had en waar al een begin was gemaakt met economische hervormingen.

Ook in Boedapest is het in 2014 prettig koffiedrinken in Habsburgse of hedendaagse café’s, maar optimisme over de staat van het land krijg je er niet bij. Regeringsgezinde types schuiven de puinhopen van het verleden in de schoenen van de oppositie. De rest ziet het land afglijden naar de door premier Orbán gepropageerde ‘illiberale democratie’. Beiden noemen de periode na 1989 een teleurstelling. De Pew-resultaten bevestigen dit: twee decennia na de omwenteling was de tevredenheid over de Hongaarse democratie geslonken van 74 naar 56 procent.

Ondergang van industrieel juweel

Eva (51) behoort tot de ontevredenen in Hongarije. Net als veel andere geïnterviewden weigert ze haar familienaam te geven: openlijk over politiek praten vinden veel oudere inwoners van het voormalige Oostblok niet fijn. Ze laat de hond uit in een parkje op het Csepel-eiland in de Donau, de arbeidersbuurt bij uitstek in Boedapest. Eva en duizenden andere arbeiders stroomden ooit dagelijks door de met steen betegelde poorten van machinefabriek Csepel Muvek.

Na de ondergang van dit Hongaarse industriële juweel namen nieuwe bedrijven hoekjes van het terrein in. Grote delen bleven echter bouwvallig. Eva: „Voor 1989 had je een baan: dat was een vaststaand feit. Daarna is alles moeilijker geworden.” Ze heeft werk bij een rijexamencentrum waar ze slecht betaald en slecht behandeld wordt, zegt ze. „Nu maak ik me zorgen dat mijn zoon het niet zal redden. Hij is 25 en heeft nu eens werk, dan weer niet.” In de binnenstad ziet ze zowel daklozen als mannen in dure Duitse wagens. „Ik vraag me af hoe zij zo rijk geworden zijn.”

In zijn kantoor aan de Centraal Europese Universiteit (CEU) zet econoom László Mátyás zijn verklaring uiteen. „Onder het communisme gold: hoe meer connecties, hoe beter je het had. Dat systeem overleefde niet alleen, maar bloeide. Een groot deel van het vermogen en de macht gingen naar een kleine groep, met aan de top wat ik ‘goulash-oligarchen’ noem. Die zijn net iets goedaardiger en minder crimineel dan echte oligarchen, maar ze beperken de competitie en beïnvloeden de politiek.” Politieke partijen bestendigden en profiteerden van dit systeem.

Gehate communistische regime

In Polen ging het net iets anders. Cliëntelisme was er zeker, maar een snelle opeenvolging van regeringen verhinderde de politieke dominantie van één kliek. De economische shocktherapie, die Minister van Financiën Leszek Balcerowicz in 1989 afkondigde, creëerde blijvende economische groei en een sterk groeiend midden- en kleinbedrijf. De prijs was grote werkloosheid en een diepe inkomensdaling, maar de Poolse elite hield koers. De erbarmelijke situatie voor de omwenteling en sterke afwijzing van het gehate communistische regime duwde hen in de richting van het marktkapitalisme en democratie.

Het rijkere Hongarije had midden jaren negentig ook besparingen en privatiseringen doorgevoerd. Een deel van de bevolking had de effecten daarvan slecht verteerd. De politiek kocht sociale rust met stijgende uitgaven. „Alle regeringen gedragen zich hier als socialisten”, zegt Lajos Bokros, oppositiepoliticus en als Minister van Financiën verantwoordelijk voor de harde besparingen in de jaren ‘90. In de aanloop naar de crisis van 2008 moesten socialisten en liberalen opnieuw hard besparen. Waar Polen – dankzij behoudend economisch beleid, voorzichtige banken, EU-subsidies en een portie geluk – de economische krimp vermeed, werd Hongarije volop getroffen. Nostalgie en autoritaire verlangens staken de kop op.

In 2009 toonde het Pew-onderzoek dat meer Hongaren verlangden naar een sterke leider dan naar democratie. „Velen herinneren zich het Kádárisme als een paternalistische dictatuur met zachte randen,” zegt Zoltan Fleck, socioloog aan de ELTE-universiteit. „Niet te hard, niet te bloederig. Hongaren houden van dat soort leiders.” Viktor Orbán, die in 2010 voor de tweede keer aan de macht kwam, straalt ook zo’n beeld uit, zegt hij.

„Een stembusrevolutie”, noemde de voormalige liberaal Orbán zijn overwinning. In het Hongaarse systeem leverde de helft van de stemmen een tweederde meerderheid op. Nu zou het postcommunistische hoofdstuk finaal afgesloten worden, de economie heropgebouwd op nationalistische fundamenten. Zijn partij Fidesz beloofde dat Hongarije „geen kolonie” zou worden. Een boodschap populair bij de middenklasse en verliezers van de transitie, die vonden dat buitenlandse bedrijven winst behaald hadden ten koste van de Hongaren. Volgens András Lánczi van de tegen Fidesz aanleunende denktank Századvég, herstelt de partij de fierheid van een natie die vaak beknot werd. Econoom Mátyás ziet vooral populistische maatregelen en „de creatie van oligopolies in plaats van een vrije markt.” Ondertussen gebruikt Fidesz haar meerderheid om haar controle over de magistratuur en de media uit te breiden en tegenstanders te treffen via belastingregels.

Bij een groep Hongaarse jongeren verknoopte afkeer voor alle traditionele elites zich met nationalistische sentimenten. Zij steunen Jobbik, met zijn verhalen over joodse samenzweringen om het land uit te kopen. Bij hen voegden zich de inwoners van oude communistische bastions geteisterd door industriële teloorgang en twisten tussen Hongaren en de vaak straatarme Roma-gemeenschap. Inmiddels is Jobbik de tweede partij van het land.

Is Polen immuun voor uit de hand lopende populistische tendensen? Niet echt. Het laatste autoritaire experiment voltrok zich minder dan tien jaar geleden onder leiding van de tweeling Jaroslaw en Lech Kaczynski. Hun conservatief-nationalistische, anti-communistische en op sociale uitgaven gerichte programma, sloeg vooral aan bij kiezers in economisch achtergebleven gebieden.

Ronald Reagan-plein

De 83-jarige Zofia uit Polen is zo’n kiezer. Zij geniet van de zon op het Ronald Reagan-plein in Nowa Huta. Deze stalinistische modelstad werd gebouwd rond de Lenin-staalfabriek als proletarisch tegenwicht voor het bourgeois Krakau. Het werd al gauw een van de opstandigste bolwerken van de anti-communistische vakbond Solidariteit. Na 1989 gold de fors gekrompen staalindustrie steeds minder als economische motor. Jongeren uit Nowa Huta moesten elders op zoek naar werk. Sommigen begonnen zelf wat, anderen vonden een baan in het dynamische Krakau. Velen gingen naar het Westen: dat haalt de sociale druk van de ketel, maar is pijnlijk voor de achterblijvers.

„Mijn kleindochter is naar Noorwegen vertrokken”, zegt Zofia. Haar pensioentje is te klein en de huur te hoog, zegt ze. Haar afkeer van de communisten („rode slangen”) is nog groot, maar voor de regeringen nadien heeft ze ook geen goed woord over. „Behalve die van Lech en Jaroslaw.” De tweeling beschikte echter niet over het charisma van Viktor Orbán. Hun vaak bizarre en querulante stijl schrikte evenveel kiezers af als die aantrok.

Mirek Wolak (39) ziet een ander land dan Zofia. Hij keerde onlangs terug, na tien jaar in Duitsland. „ Ik was blij verrast. Je ziet overal nieuwe, betere dingen. Vijftien jaar geleden was Nowa Huta geen aantrekkelijke plek.” Voetbalhooligans hadden het op veel plaatsen voor het zeggen. Ook voor hen leek migratie uiteindelijk vaak de aantrekkelijkste optie. De buurt werd geriatrischer. Maar een voorzichtige influx van jonge gezinnen, een recent gebouwd theater en enkele nieuwe bars geven een nieuwe trend aan: Nowa Huta lijkt met de dag een beetje meer de burgerlijke stad die het moest doen vergeten.

Terwijl Hongarije nog steeds omkijkt en twist over de juiste richting, groeit in Polen de zelfverzekerdheid. Voormalig dissident Maj haalde geld op voor een monument ter viering van 25 jaar omwenteling in Warschau. In de straat die ooit het partijhoofdkwartier verbond met het censuurbureau dat publicaties met zwart lint onleesbaar maakte, staat vandaag het Gedenkteken van het Vrije Woord. Een zwarte strook in composietbeton loopt dwars door het voetpad. Vlakbij kantoorgebouw ‘Liberty Corner’ maakt het een opwaartse krul. „Het lint is omhoog gekomen”, zegt ontwerper Michal Kempinski. Waakzaamheid blijft geboden. „Je weet nooit wanneer het weer naar beneden kan vallen.”