Als de overheid zich terugtrekt participeren mensen juist minder

Burenhulp, mantelzorg en buurtmoestuin; het participatiebeleid is vooral informeel. Maar laten we het vertrouwen in de grote formele instituties niet opzeggen, meent Evelien Tonkens. Want dat kan ons duur komen te staan.

De participatiesamenleving, wie wil daar tegen zijn? Wie wil bezwaar maken tegen een samenleving waarin iedereen kan meedoen en een bijdrage kan leveren? Vreemd is wel dat onder de vlag van de participatiesamenleving veel anti-participatiemaatregelen worden genomen, van de opheffing van bibliotheken, verzorgingshuizen en beschermde werkplekken tot en met de sterk beperkte toegang tot thuiszorg, dagopvang voor bejaarden en hulp bij rouw of na seksueel geweld. Hoe is deze paradox van anti-participatief participatiebeleid te verklaren?

In de troonrede van 2013 zette de koning de participatiesamenleving nog tegenover de ‘klassieke’ verzorgingsstaat. De term ‘klassiek’ suggereerde dat er ook een alternatieve, niet klassieke verzorgingsstaat zou zijn die je dan ook participatiesamenleving zou kunnen noemen. Maar de participatiesamenleving blijkt geen aanjager van een discussie over een alternatieve verzorgingsstaat. Wat onder de vlag van de participatiesamenleving wordt bepleit, is wat de verzorgingsstaat nu juist niet regelt: mantelzorg, vrijwilligerswerk, burenhulp, burgerinitiatieven, zorgcoöperaties en door vrijwilligers gerunde buurthuizen en buurtwinkels.

De regering bepleit in de nota Doe-democratie uit 2013 dat burgers „rechtstreeks – zonder tussenkomst van een overheid – oplossingen voor maatschappelijke kwesties tot stand brengen” en „op kleinere schaal eigen organisaties in het leven roepen”. Dus niet „via de omweg van een volksvertegenwoordiging”.

Dit idee van een participatiesamenleving is gestoeld op een tweedeling tussen vertrouwen in informele arrangementen en wantrouwen in formele. Formele, grootschalige, anonieme organisaties worden geassocieerd met registratiezieke managers en zakkenvullende bestuurders; informele verbanden daarentegen worden verbonden met warmte en persoonlijke aandacht.

Zo wantrouwen veel mensen dus woningcorporaties, al vertrouwen ze wel de huismeester van de corporatie. Wantrouwen ze grote ontwikkelingsorganisaties, maar geven ze wel gul aan het schooltje in Afrika waarvoor de collega geld inzamelt. Wantrouwen ze politieke partijen en vakbonden, de politiek, de regering en Europa, maar vertrouwen ze de buurtvereniging wel en trouwens ook Marktplaats – ook informeel, gebaseerd op persoonlijk contact.

Ze wantrouwen producten van multinationale bedrijven want die produceren mogelijk genetisch gemanipuleerd voedsel, vervuilen de grond en buiten arme boeren uit, maar ze vertrouwen de kromme komkommer uit de buurtmoestuin. Ze vertrouwen Airbnb, inmiddels een multinationaal bedrijf, maar het heeft nog altijd het imago van een informeel alternatief.

Het energieke verhaal over de participatiesamenleving is dus tegelijkertijd een somber verhaal over collectieve arrangementen. Een verhaal over de terugtrekkende overheid die staat te juichen bij terugtrekkende burgers: wat goed dat jullie het ook opgeven!

De afgelopen decennia hebben ook reden gegeven voor zichzelf versterkend wantrouwen in grootschalige instituties en organisaties. Bureaucratisering en vermarkting leiden tot twijfels over productiviteit en kwaliteit, die steevast met meer controle en dus meer bureaucratie worden beantwoord. Je daaruit terugtrekken en het zelf doen, lijkt dan het enige alternatief. Na decennialang investeren in bedrijventerreinen met grote winkelketens kunnen buurtwinkels alleen overleven als ze draaien op vrijwilligers.

De participatiesamenleving geeft verbetering van grootschalige formele arrangementen op en legt alle vertrouwen in de informele sfeer. Die gaat ons ongetwijfeld teleurstellen; in de informele sfeer krijgen corruptie, nepotisme, ongelijkheid en willekeur namelijk alle kansen, weten we al sinds Max Weber. Om die te bestrijden is de bureaucratie uitgevonden. Die biedt controleerbare procedures, gelijke behandeling zonder aanzien des persoons, en duidelijke handhaafbare regels.

Natuurlijk, de bureaucratie is ook traag en kent een overdaad aan registratie, zeker in combinatie met marktwerking. Dat is in de afgelopen decennia te weinig verbeterd. Met de participatiesamenleving wordt die verbetering opgegeven, want nu is informalisering het alternatief. De nadelen daarvan worden weinig onderkend. De informalisering draait de emancipatie terug: betaalde banen in zorg en welzijn die voornamelijk door vrouwen werden bezet, maken plaats voor mantelzorg en vrijwilligerswerk.

Bij massale informalisering ontstaan ook nieuwe risico’s. Wat gaan we doen als die over een paar jaar de voorpagina’s van de krant beheersen? Wanneer sommige mensen veel hulp krijgen maar anderen ongezien verkommeren? Wanneer sommige behulpzame buren niet alleen helpen maar hun buren ook financieel onder druk zetten? Als sommige vrijwilligers seksuele bijbedoelingen hebben, en schimmels in de buurtmoestuin de bejaarden in de buurt ziek maken? Gaan we dan ons vertrouwen in het informele en kleinschalige ook nog opzeggen?

Of gebeurt dat vanzelf, doordat we bij elk incident meer controle en toezicht gaan eisen – precies de oorzaak van ons wantrouwen in grote collectieven? Gaan we ook de informele sfeer dusdanig aan controle en verantwoording onderwerpen als waarmee we publieke instellingen van ons vervreemd hebben? Een participatiesamenleving heeft alleen kans van slagen als we vertrouwen en wantrouwen meer gelijk spreiden. Als we oplossingen zoeken die vertrouwen herstellen in plaats van verplaatsen.

Dat begint met een reëlere blik op de verhouding tussen formeel en informeel. Veelgeprezen informele initiatieven, van de zorgcoöperatie tot en met de buurtmoestuin, worden meestal voorgesteld als ‘pure’ vrijwillige initiatieven. Maar vaak is er aanzienlijke financiële en beleidsmatige steun van de overheid of welzijnswerk. En bij wat grotere projecten verrichten zzp’ers op zoek naar een betaalde klus in moeilijke tijden, vaak (semi) betaald een groot deel van het werk. Zo ken ik een kunstenaar die prachtige kunstprojecten in de openbare ruimte realiseert met steun van de overheid, maar dit alleen gedaan krijgt wanneer ze een getatoeëerde of gehoofddoekte wijkbewoner vindt die zich voordoet als de officiële initiator van haar projecten.

Dat is niet alleen omslachtig en hypocriet, maar het miskent ook waar de vernieuwende en krachtige participatie te vinden is, namelijk in de combinatie van informele en formele organisatie. Uit ons onderzoek naar burgerinitiatieven blijkt dat hulp van overheid, welzijnswerk of woningbouwcorporatie belangrijk is voor de vitaliteit van deze initiatieven. En naarmate ze meer met deze instituties te maken hadden, nam hun vertrouwen erin toe, evenals hun vertrouwen in medebewoners en bewonersorganisaties.

Het is dus niet alleen eerlijker maar ook veelbelovender om ons vertrouwen beter te spreiden over formele en informele verbanden. Maar dan moeten we de verbetering van formele instituties niet opgeven. Dan moeten we zorgcoöperaties steunen maar er ook voor zorgen dat professionals minder door registratiegekte van hun werk gehouden worden.

Een betere spreiding van vertrouwen betekent ook: interactie tussen formele en informele verbanden stimuleren. Want de informele sfeer kan heel goed een kweekvijver zijn voor een betere publieke sector, maar geen vluchtplaats.