Alles kon gezegd worden - maar niet over hém

Morgen is het tien jaar geleden dat filmer Theo van Gogh werd vermoord. Hij leeft voort als icoon van de vrijheid van meningsuiting. Maar was hij dat? Vrienden schetsen een ander beeld. Ze adoreerden hem. Maar ze waren ook bang voor hem.

FOTO VINCENT MENTZEL

Drieduizend gulden is Theo van Gogh verschuldigd aan zijn vriend Thom Hoffman. Maar ze hebben ruzie. Daarom bedenkt Van Gogh een originele manier om het geld terug te betalen. Hij wisselt drieduizend gulden om in kwartjes en dubbeltjes, stopt het in een grote emmer en plast en poept er overheen. De emmer laat hij bezorgen. „Beste Thom”, staat in het begeleidende briefje, „omdat je zo’n krentenkakker bent heb je hier wat om te tellen.”

Theo van Gogh is de geschiedenisboeken ingegaan als de man die vermoord werd om het uiten van zijn mening. De cineast leeft voort als een icoon van de vrijheid van meningsuiting.

Is dat terecht? Hoeveel gaf Van Gogh echt om dat democratische grondrecht?

Als kind al, in het chique Wassenaar, hield hij niet zijn mond. Als de juf zegt dat Nederland rijk is geworden door handel met Indië, roept Theo door de klas: „En door de slavernij.” Hij is een outsider in het elitaire en stijve villadorp. Theo deelt flyers van de PvdA uit aan kakkers in dure auto’s en is radicaal tegen Janmaat van de Centrumpartij.

Thuis wordt hij vergeleken met schilder Vincent van Gogh, de broer van zijn overgrootvader. Volgens zijn moeder heeft Theo diens artistieke genen. „Er hing daar thuis altijd een vreemde spanning”, zegt jeugdvriend Hoffman. „Ik kan me feestjes herinneren waarop hij met slaande deuren de kamer verliet en naar boven ging. Zijn moeder bleef dan beneden zitten met zijn vriendjes.” Op zijn zeventiende zet zijn moeder hem uit huis.

Na een afwijzing voor de filmacademie besluit hij samen met acteur Thom Hoffman op eigen houtje een film te maken: Luger. Ze verzamelen een groep gelijkgestemde twintigers om zich heen. Jongens die fan zijn van Gerard Reve en in hippe cafés de nieuwste cultfilms bespreken. Recensenten zijn lovend over Hoffman, maar minder over regisseur Van Gogh. Die wordt jaloers op zijn vriend, verklapt hij nadien in een interview, en stuurt Hoffman uit het niets een brief waarin staat dat hij hem nooit meer wil zien. Daarna volgt de emmer met plas en poep.

Hij wilde gehaat worden

Na zijn regiedebuut krijgt Van Gogh een column in het Parool, die hij weer kwijtraakt na druk van adverterende filmdistributeurs. Dat vond hij niet erg, zegt zijn toenmalige vriend Jan Kuitenbrouwer. „Hij zwolg in de afwijzing. ‘Als ze het maar over je hebben’, zei hij. Hij vond het fantastisch als mensen hem haatten.”

In zijn columns, later in onder meer Panorama, Vrij Nederland en HP wenste hij mensen dood, maakte ze uit voor NSB’er, profiteur, hypocriet. Hij bedacht mede de benaming ‘geitenneukers’ voor moslims. Volgens zijn vrienden legde hij zo de intolerantie van moslims bloot. Volgens zijn vijanden was het hem alleen te doen om de aandacht.

„Toen hij net was vermoord werd gezegd dat we het gedachtegoed van Theo van Gogh moesten bewaren”, zegt journalist en schrijver Auke Kok. „Dat leek me iets te hoogdravend. Theo vond vooral dat híj alles moest kunnen zeggen, maar als iemand iets over hem zei zat hij in de hoogste boom.” Als tijdelijk hoofdredacteur van HP/De Tijd heeft Kok een keer een column van Van Gogh geweigerd. „Daarin beschuldigde hij journalist Hans Maarten van den Brink van allerlei dingen in de huiselijke sfeer.” Reden: Van den Brink stond in een bundel waarin een ándere schrijver Van Gogh op de hak nam.

Van Gogh had ook een heel aimabele kant. Etentjes waren nooit saai. „Hij gaf je het gevoel dat hij er de hele week naar had uitgekeken om met jou af te spreken”, zegt NRC-redacteur Joyce Roodnat, een vriendin. „Vooral mannen adoreerden hem. Om de zoveel tijd nodigde hij zijn hele hofhouding uit voor een groot diner.” Urenlang tafelde hij dan met mannen als Jan Mulder, Theodor Holman en Max Pam. Hij bestelde de allerduurste flessen Bordeaux. „Hij wilde groots en meeslepend leven”, zegt vriend Jeroen Henneman. „Te veel vrienden keken tegen hem op”, zegt Kuitenbrouwer. „Aan het eind van zijn leven was hij omringd door ja-knikkers.”

Van Theo viel niet te winnen

Kuitenbrouwer raakte gebrouilleerd met Van Gogh nadat hij hem had aangesproken op zijn giftige columns. Vanaf dat moment werd Kuitenbrouwer zelf onderwerp van die columns. Hij werd er ‘kwezel’, ‘leugenaar’ of ‘farizeeër’ in genoemd.

Iets dergelijks overkwam Tom Erisman nadat hij was gestopt als Van Goghs vaste cameraman. Van Gogh schreef hem een brief waarin hij hem treiterde met het vele geld dat hij had verloren op de aandelenbeurs. Kopieën van de brief stuurde hij naar de voltallige filmwereld, om iedereen in te lichten over de ‘oplichter’ Erisman. „Als je maar iets verkeerd deed, ontving je zo’n brief”, zegt Roodnat. „Hij stortte zijn gal uit, dat vond hij lekker.”

Vrienden durfden er niets van te zeggen uit angst dat Van Gogh zich tegen hen zou keren, zegt Kuitenbrouwer. „Ze waren bang voor zijn agressie, want van Theo viel niet te winnen. Als je met hem bokste en hij dreigde te verliezen, trok hij een mes. Als het een messengevecht werd, pakte hij een pistool. Hij had altijd het laatste woord. Niet omdat hij sterker was, maar omdat hij minder eergevoel had dan de mensen tegen wie hij het opnam.”

Waarom ging hij zo tekeer? Zelf zei hij in interviews dat hij een „destructieve aard” had. Hij rookte, snoof en dronk. „Al toen hij 23 was, riep hij: ik wil zo snel mogelijk dood”, zegt Hoffman. „De coke heeft hem veranderd. Theo werd meedogenlozer in zijn blogs; een conflict-junk.”

Toen Van Gogh in 2004 de profeet Mohammed ‘een vieze oom’ had genoemd, ontving hij gemiddeld vijf bedreigingen per week. Daarna maakte hij met VVD-politica Ayaan Hirsi Ali de anti-islamfilm Submission. In het boek In godsnaam dat na de moord verscheen, bespreken ze hoe de film zal worden ontvangen. Hirsi Ali denkt dat „de hele moslimwereld” over hen heen zal vallen. Van Gogh maakt zich juist zorgen over een gebrek aan reacties. „Wat nou als er geen moslim aanstoot aan neemt?” Hij moet er niet aan denken.