1989 Het einde van ons geliefde West-Europa

De val van de Muur betekende niet alleen het instorten van het Sovjetimperium. Het was ook het einde van de enclave West-Europa. En daar zijn West-Europeanen nog altijd niet aan gewend.

Foto HH/ Magnum

Hij staat nog, de Berlijnse Muur. In een hoek van de Place du Luxembourg in Brussel, pal tegenover het Europees Parlement. Het betonnen paneel werd in 2009 vanuit Duitsland overgebracht om twintig jaar val van de Muur te vieren. Vijf jaar later is het verminkt door graffiti, begint het af te brokkelen en loopt iedereen er straal aan voorbij. De vuilniszakken liggen metershoog tegen de muur opgestapeld.

Een zielig monument voor hét bepalende moment in de recente wordingsgeschiedenis van Europa. Verbijsterend? Veelzeggend?

Het is in ieder geval minder vreemd dan het lijkt. De val van de Muur werd aanvankelijk beleefd als overwinning van westerse waarden, als ‘het einde van de geschiedenis’. Maar achteraf gezien was het ook het moment dat Europa groot en ingewikkeld werd. En juist nu, 25 jaar later, wordt pas echt duidelijk hoezeer: eurocrisis, bankencrisis, Oekraïne-oorlog, arbeidsmigratie. Problemen die, soms zelfs rechtstreeks, zijn te herleiden naar 1989. „We zijn de schok nog steeds aan het verwerken”, zegt politicoloog Mathieu Segers, auteur van het vorig jaar verschenen Reis naar het continent, over Nederland en de EU. Of zoals Karel Lannoo, baas van de Brusselse denktank CEPS, het formuleert: „De EU is wel verbreed, maar onvoldoende verdiept. De gevolgen daarvan zijn onderschat.”

Daarbij gaat het om meer dan het tekort aan ‘institutionele’ verdieping waar ze in Brussel heel wat vergaderuren aan stukslaan. In de nieuwe Nederlandse tv-serie Hollands Hoop, over een man die een wietboerderij erft van zijn overleden vader, zijn de boeven steevast van Oost-Europese komaf. Ze zuipen te veel, zwaaien met pistolen, zijn niet goed snik en handtastelijk jegens vrouwen. Dat illustreert wel zo’n beetje hoe we denken over onze – intussen al lang niet meer nieuwe – oosterburen.

Als het geen criminelen zijn, dan zijn het loodgieters of chauffeurs die onder de kostprijs werken en zo de markt verpesten. In het Westland weten ze beter: zonder Polen zou de bloementeelt al lang (helemaal) naar Afrika zijn verkast. Ook in Breda weten ze beter: daar zijn de Polen de bevrijders van 1944. Maar verder blijft de kennis over het voormalige Oostblok uitermate gering, en zijn de stereotypen daarentegen wijdverbreid. Waarom? Hebben we er soms spijt van dat ze erbij zijn gekomen? Is de val van de Muur bij nader inzien toch geen feest, maar een stinkend stuk beton?

Voor Oost-Europa is 9 november 1989 zonder meer een bevrijdingsfeest. Dubbel zelfs: pas na het communisme kon ook echt een punt worden gezet achter de Tweede Wereldoorlog. „En ondanks de pijnlijke transformatie die daarna volgde, met megahervormingen en massawerkloosheid, is de balans na een kwart eeuw positief”, zegt de Tsjechische politicoloog Jiri Pehe. Het voormalige Oostblok heeft aansluiting gevonden bij de Europese familie, met als voorlopig hoogtepunt de recente benoeming van de Poolse premier Donald Tusk tot ‘president’ van Europa. Nergens leeft de Europese droom zo sterk als daar, in het oosten.

De uitzondering is Hongarije. Volgens Segers komt dat door de Hongaarse financiële crisis van 2008: Boedapest mocht de mede door westerse banken gemaakte troep zelf opruimen, een schril contrast met de miljarden die vervolgens naar Griekenland en Zuid-Europa gingen. „Dat heeft de Hongaren bitter gemaakt”, zegt Segers. „Ze mochten wel onze hypotheken kopen, maar solidariteit, ho maar.” Het voelde, tja, alsof de Muur toch niet helemaal was gevallen.

Oost-Europeanen moeten wel vaker slikken, van onze homoparades, ons tot religie verheven individualisme, onze neiging om overal een (sterke) mening over te hebben, onze botte humor, onze naïviteit (als het om Poetin gaat), onze zoete ontbijtcultuur (hagelslag) en vooral: van onze neiging om te klagen, ook al liggen we qua levenskwaliteit en rijkdom, en ondanks de eurocrisis, mijlenver voor op Oost-Europa en de rest van de wereld. „Dat is voor ons amper te bevatten”, zegt Pehe. Niettemin: ze voelen zich over het algemeen thuis in de huidige EU.

Het einde van West-Europa

Maar hoe zit dat met ons, de West-Europeanen? Volgens Segers blijft één aspect van 1989 vaak onderbelicht. Het was niet alleen het einde van het Sovjetimperium, een Oost-Europees verhaal van onderdrukking en bevrijding. „Het was ook het einde van West-Europa”, zegt de politicoloog. „En West-Europa was enorm geliefd en populair.” Het was een succesverhaal waarin het communisme ook nog eens als bindmiddel fungeerde. „Die gemeenschappelijke vijand hield de boel bij elkaar tijdens de Koude Oorlog”, zegt Pehe. „Met het wegvallen daarvan begon een proces waar West-Europeanen niet goed op voorbereid waren. Dat is eigenlijk verbazingwekkend, want voor de val van dat communisme was juist jarenlang geijverd.”

Wat volgde was wat Segers ‘de grote vlucht naar voren’ noemt. In ruil voor de nu opeens ook actueel geworden Duitse hereniging, die alom angst inboezemde, eiste Frankrijk een groots gebaar van Duitsland, waaruit ondubbelzinnig toewijding aan de Europese zaak zou spreken: de Duitsers moesten hun sterke en geliefde D-mark opgeven en instemmen met een gemeenschappelijke, Europese munt. Zo geschiedde. De eerste stap naar de euro werd gezet, een sleutelmoment in de Europese integratie waar nóg mee wordt geworsteld. Door Frankrijk misschien nog wel het meest, ironisch genoeg. De ‘Brusselse’ begrotingsdiscipline die voor de euro nodig is wordt door Parijs als ronduit verstikkend ervaren. Frans is de euro nooit geworden, wel heel erg Duits.

Politici, niet alleen de Franse, weten zich moeilijk raad met de mondialisering die door de gebeurtenissen van 1989 in een stroomversnelling kwam. Kiezers voelen zich verweesd in het grote Europa en populistische eurosceptici spinnen daar garen bij, zo bleek ook tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement in mei. Nederland, nog niet zo lang geleden de onbetwiste kampioen van de met commerciële kansen overladen uitbreiding naar het oosten, klaagt nu in Brussel over Oost-Europese arbeidsmigratie. In Frankrijk sluit de retoriek van het Front National van Marine Le Pen naadloos aan op het brede verlangen naar de jaren dat de wereld overzichtelijk en klein was, met Frankrijk als stralend middelpunt. Er wordt, kortom, nog volop om West-Europa gerouwd.

Volgens Pehe is de uitbreiding waarschijnlijk te snel gegaan. „Wij waren er mentaal klaar voor, maar jullie duidelijk niet”, zegt de Tsjechische politicoloog. Bovendien bleken de landen die er in 2004 en 2007 bijkwamen een eigen wil te hebben. Ze bleken bezorgder om hun energieveiligheid en om de geopolitieke ambities van Rusland dan om, bijvoorbeeld, het klimaat of sociale rechtvaardigheid. Ze wilden net zoveel subsidie als iedereen (en kregen die overigens niet). En ze begonnen in Brussel macht op te eisen. De al in 2003 door de toenmalige Franse president Jacques Chirac gedane suggestie dat Oost-Europa soms „maar beter kan zwijgen” werd niet ter harte genomen.

Bezuinigen op defensie

Europa, dat wil zeggen West-Europa, lijdt aan ijdelheid, zegt Lannoo van denktank CEPS. „We zijn ingedut door onze eigen aantrekkingskracht.” We breiden uit en denken dat het wel goed komt – iedereen wil toch zoals wij zijn? We voeren halfslachtig de euro in – handig toch, zo’n munt zonder grenzen? We halen de banden met Rusland aan, en bezuinigen hard op defensie – we voldoen toch netjes de gasrekening? Lannoo: „We betalen nu de prijs voor die houding. De eurocrisis en de Oekraïne-crisis hebben bruut een eind gemaakt aan de illusie dat alles vanzelf wel doorloopt.”

Verantwoordelijkheid nemen is nooit het sterke punt van West-Europa geweest. Tijdens de Koude Oorlog hoefde dat ook niet: West-Europa zat onder de Amerikaanse beschermingsparaplu, concurrentie uit het oosten was er niet en de EU was een technocratisch ding, een soort pinautomaat voor boeren en wegenbouwers. Segers: „Nu zegt de hele wereld tegen ons: jullie zijn een machtsblok! Poetin zegt dat, de financiële markten zeggen dat – en we zijn erdoor verlamd.” Als een student die ontdekt dat moeder de was niet meer doet.

Jean-Claude Juncker beloofde deze maand bij de presentatie van zijn nieuwe Europese Commissie een bestuurlijke revolutie. Juncker ziet dat als een „laatste kans” om de EU weer populair te maken. Een laatste kans, kortom, om de zware erfenis van 1989 weer fris te laten ruiken.

We mogen Poetin wel dankbaar zijn, vindt Pehe. „Hij heeft een situatie geschapen waarin we ons meer als één familie voelen. Er is weer een gemeenschappelijke vijand en voor de Europese integratie is dat niet verkeerd.”