Nieuw joods museum in Warschau open

Het museum voor de geschiedenis van joden in Polen, in een spectaculair gebouw op de plaats van het voormalige getto in Warschau, wil meer zijn dan holocaustinstituut.

Pronkstuk: reconstructie van bonte 18de-eeuwse houten synagoge
Pronkstuk: reconstructie van bonte 18de-eeuwse houten synagoge foto AP

Hoe het verhaal eindigt is nagenoeg bekend: in een vreselijke moordpartij. In een door de Duitse bezetter georganiseerde genocide stierven 3 miljoen van de 3,3 miljoen Poolse joden. De overlevenden emigreerden bijna allemaal in de decennia daarna, aangemoedigd door de progroms direct na de oorlog en een antisemitische hetze die de communistische regering in 1968 lanceerde.

Hoe het verhaal van de joden in Polen is begonnen is minder bekend. Vanaf 1024, na vorming van het Poolse koninkrijk, werd het land toevluchtsoord voor duizenden joden uit de rest van Europa. Door de tolerantie van adel, koning en andere autoriteiten kreeg het koninkrijk de naam een paradisus iudaeorum te zijn; een joods paradijs.

Halverwege de zestiende eeuw leefde 80 procent van alle joden op Poolse bodem. Warschau werd het centrum van de joodse cultuur. Het ontlokte de president van Israël, Reuven Rivlin, de opmerking dat het weliswaar mogelijk is gebleken „de joden uit Polen te jagen”, maar het onmogelijk is „Polen uit de joden te halen”.

Hij zei dit deze week bij de officiële opening van Polin, het museum dat de geschiedenis van de Poolse joden vertelt in een spectaculair gebouw op de plek van het voormalige getto van Warschau. Het gebouw kostte 42,5 miljoen euro, betaald door de Poolse overheid. De permanente opstelling, opgebracht door Joodse organisaties wereldwijd, kostte 33 miljoen. De ruimst opgezette zalen in dit museum zijn gewijd aan de vooroorlogse eeuwen. Hoogtepunt van de permanente opstelling is een reconstructie van een bont geschilderde achttiende-eeuwse houten synagoge uit een van de duizenden sjtetls uit dat koninkrijk. Om precies te zijn: uit Gwoz- dziec, in het huidige Oekraïne.

De 120 samenstellers van de permanente opstelling hebben het einde van het verhaal, de Holocaust, niet meer tekst en ruimte gegeven dan de middeleeuwen, de negentiende eeuw, het interbellum of de naoorlogse jaren. De zalen die gewijd zijn aan de bezettingsjaren zijn bovendien smal en laag, om het effect van de krappe getto’s in Polen op te roepen.

Door deze focus op de vooroorlogse eeuwen, is Polin (de Hebreeuwse naam voor Polen) onvergelijkbaar met Yad Vashem of de holocaustmusea in Berlijn en Washington DC.

Dat is al direct duidelijk bij binnenkomst. De Finse architecten, Rainer Mahlamaeki en Ilmar Lahdelma, laten de bezoeker binnenkomen via een gat in de façade, waarin alles licht en hoog is: het moet refereren aan de wijkende Rode Zee, die het joodse volk in staat stelde Egypte te ontvluchten. Een verhaal met een goede afloop. Vervolgens daalt de bezoeker af, om uiteindelijk in een Pools sferisch bos te belanden, vol dennen en berken – opgeroepen met digitale animaties.

Dan begint een tocht door de geschiedenis die menig bezoeker meer dan drie uur zal bezighouden. Door de enorme omvang, 3700 vierkante meter, is het museum al ‘het Louvre van joodse musea’ gedoopt.

Maar hoe dapper de conservatoren ook hebben geprobeerd een verhaal te vertellen dat niét noodzakelijkerwijze naar de gruwelijke afloop leidt, het is moeilijk (in die urenlange wandeling) niet voortdurend de onheilstijding te zien in het geëxposeerde. Dat voer biedt voor eindeloze discussie over de betekenis van christelijke landgenoten in de ondergang.

Neem de pastorale brief die de hoogste katholieke geestelijke van Polen in 1936 schreef en die in alle kerken werd voorgelezen. Kort samengevat: ze deugen niet, die joden, je moet ze verre van je houden en zeker niets bij ze kopen. Maar je mag ze niet vermoorden.

Omdat nazi’s dat wel deden, wilde deze geestelijke, kardinaal August Hlond, niets met hen te maken hebben. Maar de vraag is wel of zijn, voor Poolse christenen exemplarische houding, niet te dubbelslachting was om aan te zetten tot grootse werken van naastenliefde voorbij de eigen geloofsgrens.