De oorlog is er in vele vormen, en soms magistraal aanwezig

Net als in voorgaande jaren lijkt ook dit jaar oorlog weer een thema in de eindselectie voor de prestigieuze Prix Goncourt. Maar de échte trend is het fictionaliseren van het leven van een beroemdheid.

Foto Getty Images
Foto Getty Images

Dikke pillen, oorlogsboeken, ‘mannenboeken’, verschenen bij uitgeverij Gallimard – die maakten de afgelopen jaren de meeste kans op de Prix Goncourt, Frankrijks belangrijkste literaire prijs. Het is een bekroning die de auteur in één klap miljonair maakt, niet vanwege het prijzengeld, maar vanwege de enorme verkoopcijfers. Vorig jaar werd thrillerschrijver Pierre Lemaître uitverkoren voor zijn vuistdikke roman over een verminkte soldaat. Twee jaar daarvoor werd het zeven centimeter dikke oorlogspanorama van Alexis Jenni bekroond en ook het uitverkoren De welwillenden van Jonathan Littell besloeg 900 bladzijden. Fransen lijken, net als Nederlanders, maar geen genoeg te krijgen van verhalen waarin steeds weer op een andere manier naar een van de vele oorlogen uit hun geschiedenis wordt gekeken.

Ook in deze rentrée, het begin van het Franse literaire seizoen, is het oorlogsthema in vele verschijningsvormen aanwezig. Soms ronduit magistraal, zoals in Pas pleurer van Lydie Salvayre, één van de vier boeken die de derde Goncourt-selectie haalden. In haar roman kruist ze twee stemmen, die van de Franse schrijver Georges Bernanos (1888-1948) en die van haar eigen moeder, die als jonge vrouw uit het door burgeroorlog verscheurde Spanje vluchtte. Het is Salvayres magnum opus, waarin ze voor het eerst iets van haar eigen biografie laat zien, de bron van haar woede en schrijverschap.

Ze schetst de patriarchale boerengemeenschap, de opvlammende revolutionaire passie en de paar weken in 1936 waarin haar moeder, op de vleugels van de tijd, zich vrij en hoopvol voelt. Parallel laat Salvayre Bernanos zijn geloof verliezen in de conservatieve katholieke kerk die haar ogen sluit voor de misdaden van de franquisten. Het resultaat is zijn beroemde pamflet Les grands cimetières sous la lune. Indirect verwijst Salvayre naar de politieke actualiteit die haar verontrust: ‘Het verhaal van Bernanos [...] wakkert mijn vrees aan voor een paar schoften die verwerpelijke ideeën koesteren waarvan ik dacht dat ze al lang achter ons lagen’. Moeiteloos voert Salvayre je het Spanje van de late jaren dertig binnen, dat korte tijd knettert van hoop op een betere toekomst, totdat het repressieve geweld losbarst en er niets rest dan desillusie, dood en de noodzaak over de grens een veilig heenkomen te zoeken.

De Arabier

Ook het boek Meursault, contre-enquête van de enige geselecteerde niet-Franse schrijver, de Algerijn Kamel Daoud, grijpt terug op een beroemd boek van een klassieke auteur: De vreemdeling van Albert Camus. Waarom is er eigenlijk nooit aandacht besteed aan het slachtoffer in dit boek, de Arabier? vraagt zijn verteller zich af. Hij heeft zelfs geen naam. Hoe komt het dat alle aandacht exclusief is uitgegaan naar de onverschillige moordenaar? De verteller presenteert zich als de broer van de vermoorde Arabier, geeft hem een naam, Moussa, en een familiegeschiedenis.

Meursault, contre-enquête is een remake van De vreemdeling: het relaas van deze wereldberoemde roman over het absurde wordt voor het eerst bezien vanuit het standpunt van ‘de ander’. Het leidt tot een ingenieus literair verwijs- en spiegelspel met biografische elementen uit het leven van Camus én van zijn hoofdpersoon, tegen de achtergrond van Frans-Algerije.

De Tweede Wereldoorlog is onderwerp van menige roman in deze rentrée. In Ce sont des choses qui arrivent bijvoorbeeld van Pauline Dreyfus, een kritisch portret van de conservatieve adel, die tijdens de oorlog gewoon bleef doorfeesten. Haar hoofdpersoon, een flierefluitende gravin in wier milieu zwanger raken nu eenmaal behoort tot ‘de dingen die gebeuren’, ontdekt tijdens de zwartste jaren van het nazisme dat ze Joods is – en dan kantelt haar perspectief.

Ook Charlotte, de bejubelde roman van David Foenkinos, over het leven van schilderes Charlotte Salomon, is een tragisch oorlogsverhaal. Sinds zijn roman La délicatesse een bestseller werd, is Foenkinos geliefd bij een groot publiek. In de voetsporen van Proust en Modiano cultiveert hij de herinnering, tevens de titel van een van zijn boeken. Zijn toon is fijngevoelig en melancholiek, zijn obsessie met verlies kleurt alles wat hij schrijft.

In eenvoudige zinnen, die geen van alle langer zijn dan één regel en zonder uitzondering onder elkaar zijn afgedrukt, leeft Foenkinos zich in in het leven van een kunstzinnig Joods meisje in Berlijn, tijdens het opkomende nazisme. Hij vertelt over haar familie waar zelfmoord schering en inslag is, over haar grote liefde voor de zangleraar van haar stiefmoeder, over de autobiografische gouaches waarin ze haar leven verbeeldt, over het verraad en haar transport naar Auschwitz, waar ze in 1943 wordt vermoord. Zijn boek eindigt in Amsterdam, waar haar vader en stiefmoeder een goed heenkomen hebben gevonden. Zij schenken Charlottes werk, Leven? Of theater? in 1971 aan het Joods Historisch Museum.

Biografisch element

Foenkinos is niet de enige auteur die dit najaar het leven van een historisch persoon fictionaliseert. Integendeel, het is dé trend van deze rentrée. Al een paar jaar nemen steeds meer Franse auteurs een fait divers of een wetenschappelijk, sociologisch of biografisch element als uitgangspunt van hun werk. Jean Echenoz bijvoorbeeld wijdde een trilogie aan de componist Ravel, de renner Zatopek en de ingenieur Nikola Tesla. Patrick Deville schreef een biografische schets over de Franse ontdekker van de pestbacil en Emmanuel Carrère maakte het portret van de Russische avonturier, schrijver en oppositiepoliticus Limonov.

Dit jaar is er sprake van een ware hausse in biografische romans, van ‘literaire biopics’, zoals de website van Le Nouvel Observateur ze karakteriseerde. Trotski, Greta Garbo, Aliénor d’Aquitaine, Mary Shelley, Elvis Presley, Buffalo Bill, J.D. Salinger, om er maar een paar te noemen – allemaal zijn ze dit najaar onderwerp van een roman. De celebritycultuur lijkt ook in de Franse literatuur te zijn doorgedrongen. De roman wordt in Frankrijk – maar ook elders, zie bijvoorbeeld bij ons het succes van de literaire non-fictie – steeds meer ‘documentaire roman’, gebaseerd op wat echt is gebeurd. De pure verbeelding wordt onttroond. Er is sprake van een ‘combat’, een strijd tussen fictie en non-fictie, waarbij het respect voor de feiten een ambigue waarde is, schrijft de wetenschapper-auteur Thomas Clerc in Devenirs du roman. Wat is waar? Wie heeft de waarheid in pacht? De geschiedenis is altijd een constructie, betoogt hij en de schrijver per definitie een ‘historien-critique’. Clerc beschouwt hem als iemand die tegenwicht biedt aan ‘le déluge informatif’, de stroom informatie die over ons wordt uitgestort en dus als iemand die op zijn of haar manier ‘de waarheid herstelt’. Vandaar de trend om mensen uit vroeger tijden tot leven te wekken en hun leven te fictionaliseren.

Dat doen Franse auteurs van nu bovendien graag door zichzelf op te voeren in hun verhaal – de laatste trend die ik hier zou willen signaleren. Een voorbeeld is Oona & Salinger van de populaire schrijver Frédéric Beigbeder. In zijn recente boek schetst hij de liefdesgeschiedenis van Oona O’Neill, dochter van de Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor Literatuur Eugene O’Neill, met de jonge Salinger, rond 1940. Tegelijkertijd weeft hij ook zijn eigen amoureuze wel en wee prominent in het boek. In de voetstappen van Oona, die uiteindelijk acht kinderen krijgt met Charlie Chaplin, bezoekt Beigbeder Genève, waar hij zijn huidige, decennia jongere vrouw ontmoet. Zonder deze persoonlijke ontboezemingen was het boek een stuk sterker geweest.

Gaan we af op de trends die in deze rentrée te signaleren zijn, dan zijn Pas pleurer van Salvayre en Charlotte van Foenkinos dit jaar de Goncourt-kandidaten bij uitstek. Beide boeken boeien door hun hemelsbreed verschillende oorlogsthematiek, in beide is de stem van de auteur herkenbaar, zij het bescheiden aanwezig. Durft de jury het aan een pluriforme, veelstemmige, ‘moeilijker’ roman te bekronen, waarin het Frans wordt opgerekt en opgeschud, vermengd met Spaans argot, dan kiest zij Salvayre. Durft zij dat niet, dan gaat de prijs waarschijnlijk naar de roman waarin het Frans juist vereenvoudigd wordt tot eenduidige korte, melancholieke zinnen. Dan wint Foenkinos, de publiekslieveling, die met zijn recente roman indirect een ode brengt aan de kersverse Nobelprijswinnaar Patrick Modiano.